Tag Archief van: circulaire economie

RERQ-redactielid Hilde Remøy, hoogleraar Real Estate Management aan de TU Delft, kijkt met een scherpe blik naar de gebouwde omgeving. Als expert in adaptieve herbestemming pleit ze al jaren voor een radicaal andere manier van omgaan met vastgoed. In de aula van de TU Delft hield ze tijdens een academische plechtigheid op vrijdag 10 oktober 2025 haar intreerede als hoogleraar.

“Als we een gebouw twee keer zo lang gebruiken, halveren we het materiaalgebruik en de hoeveelheid afval”

Niet slopen, maar slim transformeren: dat is de kern van haar werk. “De bouwsector is verantwoordelijk voor 40 procent van het afval, het grondstoffenverbruik en de CO?-uitstoot. Dat is gigantisch. En toch worden de meeste gebouwen aan het einde van hun levensduur gewoon afgebroken.”

Al tijdens haar studie in Trondheim in haar geboorteland Noorwegen raakte ze gefascineerd door de mogelijkheden van hergebruik. Van een opslagruimte die verandert in een kantoor tot een metrostation dat dienstdoet als nachtclub – transformatie is overal mogelijk, mits je bereid bent anders te kijken. Haar promotieonderzoek in de nasleep van de dotcomcrisis bracht haar in aanraking met lege kantoren die niemand leek te missen. “Het viel me op dat leegstand nauwelijks als probleem werd gezien. Terwijl er zoveel kansen lagen. Maar duurzaamheid en klimaat waren toen nog nauwelijks onderwerp van gesprek.”

Inmiddels, ruim twintig jaar later, is dat fundamenteel veranderd. De urgentie is groot: klimaatverandering, grondstoffenschaarste, woningnood – de gebouwde omgeving staat centraal in veel maatschappelijke opgaven. Remøy is dan ook helder over de rol van haar vakgebied: “Als wij als vastgoedprofessionals en wetenschappers geen bijdrage leveren aan klimaatmitigatie en adaptatie, wie dan wel?”

“Sloop wordt nog te vaak als vanzelfsprekend gezien, terwijl hergebruik enorme kansen biedt – technisch, sociaal en economisch”

De kracht van adaptieve herbestemming ligt volgens Remøy in het meervoudige rendement: minder materiaalgebruik, minder afval, meer maatschappelijke waarde. Toch zijn er tal van obstakels. In haar onderzoek onderscheidt ze vijf categorieën van barrières: juridische, financiële, bouwtechnische, culturele en duurzaamheidsgerelateerde. “Denk aan trage vergunningstrajecten, strikte bestemmingsplannen of bouwcodes die renovatie ontmoedigen. Of aan gebouwen die technisch lastig aanpasbaar zijn, vanwege vloerbelasting of aanwezigheid van asbest.”

Daarnaast is er vaak een culturele voorkeur voor nieuwbouw. “Sommige architecten kiezen bewust voor een blanco canvas, terwijl juist hergebruik kansen biedt voor creativiteit en innovatie. Ook duurzaamheidskaders zijn nog sterk gericht op nieuwbouw, omdat er simpelweg te weinig levenscyclusdata is om hergebruik goed te onderbouwen.”

Toch ziet ze positieve ontwikkelingen. Steeds meer steden nemen herbestemming actief mee in hun beleid. “Gemeenten als Rotterdam, Eindhoven en Amsterdam tonen dat het anders kan. En ook op financieel vlak komen er meer stimuleringsmaatregelen. Het vraagt wel een andere manier van denken, waarin hergebruik niet het sluitstuk is, maar het startpunt.”

“Gebouwen met karakter worden geliefd, maar waardering ontwikkelt zich vaak pas in de tijd”

Een intrigerend onderdeel van Remøy’s werk is het begrip ‘waardering’. Waarom wordt het ene gebouw gekoesterd en het andere afgedankt? “Appreciatie is vaak intuïtief. Mensen zeggen: ‘Het voelt goed’ of ‘Dit gebouw heeft karakter’. Maar dat is lastig meetbaar – en dat maakt het moeilijk voor beleidsmakers om die waarde te erkennen.”

Remøy onderzoekt daarom hoe waardering ontstaat en verandert. Ze werkt in cocreatie met gebruikers, ontwerpers en beleidsmakers aan methodes om waardering inzichtelijk te maken. “Veel studies kijken naar één moment in de tijd, maar waardering is dynamisch. Een gebouw kan nu als lelijk worden gezien, maar over twintig jaar een geliefd monument zijn. Kijk naar onze eigen faculteit: ooit verguisd, nu gekoesterd.”

“Vastgoedwaarde draait om meer dan inkomsten: we moeten ook erfgoedwaarde, gebruikswaarde en milieubelasting meewegen”

Volgens Remøy wordt vastgoed nog te eenzijdig gewaardeerd. In de traditionele benadering telt vooral het verwachte financiële rendement. Maar dat doet tekort aan de maatschappelijke waarde van vastgoed. “Vastgoed is een sociaal, ecologisch én cultureel kapitaal. Toch is het huidige waarderingssysteem daar blind voor.”

In het internationale QuiVal-project werkt ze samen met zeven universiteiten en dertien promovendi aan een nieuwe benadering: Quantum Inspired Valuation of Circular Real Estate. “We halen inspiratie uit de kwantummechanica om waarde te begrijpen als iets vloeiends, meervoudigs en perspectiefafhankelijk. Voor de een is een gebouw een investeringsobject, voor de ander een stukje erfgoed of een gemeenschapsruimte.”

Remøy stelt een alternatieve waarderingsformule voor, waarin locatie-, gebruiks-, milieu- én erfgoedwaarde samenkomen. “De uitdaging is nu: hoe maken we deze waarden meetbaar? En hoe vertalen we dat naar instrumenten die beleidsmakers en beleggers echt kunnen gebruiken?”

“Toekomstbestendig vastgoed vraagt om een levend denkkader – adaptief, circulair en voortdurend in ontwikkeling”

De kern van haar benadering ligt in de integratie van drie pijlers: gebruikswaarde, vastgoedwaarde en levensduurdenken. Elk van deze domeinen wordt traditioneel apart onderzocht – respectievelijk door facility managers, bedrijfskundigen en architecten. Remøy brengt ze samen in een interdisciplinair raamwerk. “Mijn achtergrond als architect en vastgoedonderzoeker stelt me in staat die brug te slaan. En dat is hard nodig, want de vraagstukken van nu laten zich niet vangen in één vakgebied.”

Een goed voorbeeld is de levensduurbenadering. Veel theorieën over aanpasbaarheid – zoals die van Stewart Brand – worden gebruikt om nieuwe gebouwen flexibeler te ontwerpen. Maar volgens Remøy worden ze net zo goed misbruikt om sloop te rechtvaardigen. “Dan zegt men: ‘Laten we maar opnieuw beginnen, dan kunnen we het meteen goed doen’. Maar dat is precies het tegenovergestelde van wat we nodig hebben. We móéten leren werken met wat er al staat.”

Daarom ontwikkelt ze, samen met Europese partners, besluitvormingskaders voor hergebruik. Eerst wordt gekeken of renovatie en levensduurverlenging mogelijk is. Dan volgt de optie tot herbestemming. Pas als beide niet haalbaar zijn, komt het hergebruik van onderdelen en materialen in beeld. “Zo bouwen we aan een levend denkkader voor toekomstbestendig vastgoedbeheer – flexibel, lerend en in verbinding met de praktijk.”

“Open onderwijs, open onderzoek en open leiderschap – dat is de manier waarop we het verschil maken”

Remøy’s werk strekt zich uit tot ver buiten de muren van de universiteit. Ze begeleidde meer dan 130 masterstudenten, bouwde een onderzoeksnetwerk met overheden en bedrijven, en werkt in internationale consortia. Haar aanpak is doordrenkt van openheid. “Ik geloof in open science en open education – alleen zo creëren we impact. En in mijn team werk ik met open leiderschap: inclusief, divers en met ruimte voor ieders ideeën.”

Dat leidt niet alleen tot betere wetenschap, maar ook tot gemotiveerdere mensen. “Als je medewerkers de ruimte geeft om bij te dragen vanuit hun kracht, krijg je betere resultaten en een sterker team.” Remøy pleit ook breder voor meer openheid in het maatschappelijke debat. “Juist in een polariserende wereld is een open, respectvolle dialoog essentieel.”

Hergebruik van bouwcomponenten kan een aanzienlijke bijdrage leveren aan het verminderen van grondstoffenverbruik en CO2-uitstoot in de bouwsector, maar de praktijk blijkt weerbarstig. Toch zijn er enkele principes die het hergebruik van materialen vereenvoudigen.

Uit onderzoek van Ana Luísa Martins da Conceição van Nieuwenhuizen, Marc van den Berg en Vincent Gruis, gepubliceerd in Real Estate Research Quarterly van de Vereniging van Onroerend Goed Onderzoekers Nederland (VOGON), blijkt dat nauwe samenwerking tussen slopers en ontwerpers essentieel is om hergebruik op grote schaal mogelijk te maken. Hun casestudie laat zien dat het systematisch matchen van donorgebouwen en doelgebouwen hergebruik kan vergemakkelijken en de milieu-impact van de bouwsector kan verkleinen.

In Nederland wordt het merendeel van het bouw- en sloopafval gerecycled, maar vaak leidt dit tot een vorm van downcycling waarbij materialen hun oorspronkelijke kwaliteit verliezen. Hergebruik daarentegen zorgt ervoor dat bouwcomponenten direct opnieuw ingezet worden, waardoor de ingesloten energie behouden blijft. De grootste uitdaging ligt in het op elkaar afstemmen van vraag en aanbod van deze componenten. De onderzoekers bestudeerden een samenwerkingsproject tussen een sloopaannemer en een ontwerpbureau waarbij een kantoorgebouw werd gedemonteerd en de materialen werden hergebruikt in een nieuw te bouwen kantoor. Dit leverde belangrijke inzichten op in hoe het matchingproces geoptimaliseerd kan worden.

Uit de casestudie kwamen vier principes naar voren die bijdragen aan succesvol hergebruik. Allereerst is het cruciaal om donor- en doelgebouwen te selecteren die qua bouwvolume overeenkomen. Dit maakt een efficiënte herinzet van materialen mogelijk zonder uitgebreide aanpassingen. Daarnaast bleek dat een overlap tussen de demontage- en ontwerpfasen noodzakelijk is om vertragingen te voorkomen en de opslagkosten te beperken. Vroegtijdige informatie-uitwisseling tussen de betrokken partijen helpt om onzekerheden te verminderen en technische obstakels te overwinnen. Tot slot vereist het hergebruikproces een flexibele houding, omdat onvoorziene complicaties tijdens de demontage en herontwerpfase onvermijdelijk zijn.

Van theorie naar praktijk

Het onderzoek onderstreept dat grootschalig hergebruik geen vanzelfsprekendheid is. Traditionele bouwprocessen zijn niet ingericht op circulaire principes en samenwerking tussen partijen verloopt nog niet altijd soepel. De casestudie laat echter zien dat wanneer de vier matchingprincipes worden toegepast, hergebruik een haalbare strategie kan zijn. Dit draagt niet alleen bij aan verduurzaming van de sector, maar kan ook economisch aantrekkelijk zijn wanneer rekening wordt gehouden met de kostenbesparing op primaire bouwmaterialen en afvalverwerking.

De resultaten bieden waardevolle inzichten voor beleidsmakers, projectontwikkelaars en bouwbedrijven die circulaire ambities hebben. Door hergebruik systematisch in te bedden in het ontwerpproces en demontagebedrijven vroegtijdig te betrekken, kunnen bouwprojecten duurzamer en efficiënter worden uitgevoerd. Hoewel er nog barrières zijn, tonen de onderzoekers aan dat nauwere samenwerking en een gestructureerde aanpak de sleutel vormen tot een circulaire bouwsector.

Lees hier het complete artikel.

Over de auteurs
Dr. Ana Luísa Martins da Conceição van Nieuwenhuizen is architect en als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de Technische Universiteit Delft. Marc van den Berg is universitair docent bij de Faculty of Engineering Technology van de Universiteit Twente. Vincent Gruis is hoogleraar Housing Management aan de Technische Universiteit Delft.

De Nederlandse bouwsector zet een belangrijke stap in de transitie naar circulariteit met Het Nieuwe Normaal (HNN). Het is een raamwerk, ontwikkeld in samenwerking met opdrachtgevers, opdrachtnemers en kennisinstellingen, biedt een gemeenschappelijke taal en meetmethoden om circulaire prestaties in de bouw meetbaar en vergelijkbaar te maken.

In het artikel ‘Het Nieuwe Normaal: het meten van circulariteit in de bouw’, verschenen in de kwartaaluitgave Real Estate Research Quarterly van de Vereniging van Onroerend Goed Onderzoekers Nederland (VOGON), beschrijven Hans Wamelink en Tomas Peeters de totstandkoming van HNN en de impact ervan op de sector. De bouwsector, verantwoordelijk voor een aanzienlijk grondstofverbruik, speelt een sleutelrol in de overgang naar een circulaire economie. Tot nu toe ontbrak een gestandaardiseerde aanpak om circulaire prestaties objectief te meten, waardoor opschaling moeizaam verliep.

Om deze leemte te vullen, werd in 2019 het programma ‘Samen Versnellen’ gestart binnen Cirkelstad, een netwerkorganisatie voor circulaire en inclusieve bouw. Dit resulteerde in de ontwikkeling van HNN, een raamwerk dat circulaire indicatoren definieert en een meetbare standaard biedt voor circulair bouwen. De eerste versie, HNN 1.0, werd in december 2023 gepresenteerd en richt zich op drie hoofdthema’s: milieu-impact, materiaalgebruik en waardebehoud. Deze thema’s zijn gebaseerd op bestaande meetmethoden en worden verder uitgewerkt in prestatieniveaus die haalbaar en ambitieus tegelijk zijn.

Een praktisch toepasbaar raamwerk

Het meten van circulariteit is essentieel om de voortgang richting een circulaire economie te monitoren en gefundeerde beslissingen te nemen. HNN gebruikt bestaande methodieken zoals de Milieuprestatie Gebouwen (MPG) en de Paris Proof-methodiek van de Dutch Green Building Council. Daarnaast biedt het raamwerk indicatoren voor materiaalgebruik, zoals hergebruikpercentages en losmaakbaarheid, en richt het zich op waardebehoud door adaptief vermogen en hergebruikpotentie mee te nemen.

Door een flexibele benadering, waarbij indicatoren in verschillende ontwikkelingsfasen worden geclassificeerd als ‘Standaard’, ‘Indicatie’ of ‘Begrip’, biedt HNN ruimte voor doorontwikkeling op basis van praktijkervaringen. Zo kunnen prestatieniveaus in de toekomst verder worden aangescherpt, waardoor het raamwerk meegroeit met de sector.

Breed inzetbaar binnen de bouwketen

HNN is toepasbaar in alle fasen van een bouwproject, van aanbesteding tot sloop. In de aanbestedingsfase helpt het raamwerk bij het formuleren van circulaire ambities en gunningscriteria. Ontwerpers kunnen het gebruiken om circulaire ontwerpprincipes vanaf het begin te integreren, terwijl opdrachtnemers het als toetsingsinstrument kunnen inzetten tijdens de realisatiefase. Daarnaast wordt gewerkt aan uitbreidingen voor bestaande bouw en sloop, zodat HNN de volledige levenscyclus van gebouwen kan omvatten.

De ontwikkeling van HNN is een belangrijke stap op weg naar een circulaire bouwsector in 2050. Door een gestandaardiseerde en breed gedragen aanpak te bieden, maakt het raamwerk circulair bouwen concreet en uitvoerbaar voor alle betrokken partijen.

Lees hier het complete artikel.

Over de auteurs

Prof. dr. ir. Hans Wamelink is hoogleraar bij de afdeling Management in the Built Environment van de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft. Tomas Peeters MSc is adviseur circulaire economie bij Copper8, een onderzoeks- en adviesbureau op gebied van circulariteit.

Transformatie van industrieel erfgoed blijkt een kansrijke strategie om circulaire maakindustrie in stedelijk gebied te faciliteren. Dat concludeert Christiaan Hanse in zijn artikel Industrieel erfgoed (her)bestemd – het faciliteren van de circulaire maakindustrie, verschenen in Real Estate Research Quarterly, het kwartaalblad van de Vereniging van Onroerend Goed Onderzoekers Nederland (VOGON).

Volgens Hanse ligt er een sleutelrol voor deze transformaties in het versterken van circulaire processen en het revitaliseren van stedelijke gebieden. Hij onderzocht drie representatieve cases in Rotterdam en Eindhoven waar circulaire maakbedrijven onderdak vonden in herontwikkelde industriële gebouwen.

Uit zijn analyse blijkt dat deze transformaties niet alleen ruimte bieden aan start-ups en hightech productiebedrijven, maar ook bijdragen aan het sluiten van materiaalstromen en het stimuleren van innovatie en vakmanschap in de stad. Voorwaarden zijn wel dat het erfgoed voldoende flexibiliteit, functionaliteit en bereikbaarheid biedt en past binnen een heldere ontwikkelvisie.

Volgens het onderzoek zijn de voordelen legio: historisch waardevolle gebouwen bieden vaak unieke ruimtelijke kwaliteiten, bestaande energie-infrastructuur en een onderscheidend profiel dat aantrekkelijk is voor innovatieve bedrijven. Tegelijkertijd zijn er obstakels, zoals regelgeving rond monumentenzorg en de financiële haalbaarheid van langdurige huisvesting voor maakbedrijven in concurrerende stedelijke markten.

Succesvolle match vraagt om maatwerk

Een belangrijk resultaat van het onderzoek is een beoordelings- en ontwikkelmodel waarmee de geschiktheid van industrieel erfgoed voor verschillende typen maakbedrijven kan worden bepaald. Het model is opgebouwd uit locatiecriteria, succesfactoren en ontwikkelprincipes, gevalideerd via interviews met ondernemers, ontwikkelaars en experts. Deze inzichten maken het mogelijk om transformaties doelgericht af te stemmen op de behoeften van diverse circulaire spelers.

Voor succesvolle herontwikkeling blijkt het essentieel om een sterk concept te hanteren dat aansluit bij de stedelijke en economische context. Flexibele huurvormen, een actieve communitymanager en samenwerking met de lokale overheid vergroten de kans op duurzame inbedding van maakfuncties in het stedelijk weefsel. Clustering van complementaire bedrijven, bijvoorbeeld rondom hetzelfde materiaalgebruik, versterkt bovendien de circulaire impact van het geheel.

Erfgoed als pijler voor de circulaire stad

Door circulaire maakbedrijven onder te brengen in industrieel erfgoed ontstaat niet alleen een nieuwe economische functie voor deze vaak monumentale panden, maar wordt ook actief bijgedragen aan stedelijke circulaire doelen. Denk aan het verwerken van reststromen, het ontwikkelen van duurzame technologie en het overdragen van ambachtelijke vaardigheden. Cruciaal is wel dat er voldoende ruimte blijft voor deze functies, zeker in een tijd waarin woningbouw en commerciële ontwikkeling concurreren om dezelfde vierkante meters.

Het onderzoek wijst erop dat industrieel erfgoed niet alleen een kostenpost is bij leegstand, maar ook waardevol kapitaal kan vormen – mits goed ingebed in beleid, ontwikkelvisie en stedelijk ecosysteem. Met het ontwikkelde model krijgen overheden en ontwikkelaars een bruikbaar instrument in handen om deze potentie te benutten.

Lees hier het complete artikel

Over de auteur
Christiaan Hanse is adviseur bij Brink Management & Advies en won in 2023 een Circularity in the Built Environment award voor zijn afstudeeronderzoek over transformatie van industrieel erfgoed voor de stedelijke maakindustrie.

Het transformeren van verouderde schoolgebouwen via circulaire renovatie biedt niet alleen kansen voor verduurzaming van de gebouwde omgeving, maar ook voor het verbeteren van leeromstandigheden.

Dat concluderen Fujing Ma, Torsten Schröder en Juliette Bekkering in hun artikel “Circular Renovation of Aged Educational Buildings: Context and Necessities for Transformation in the Netherlands”, verschenen in Real Estate Research Quarterly, het vakblad van de Vereniging van Onroerend Goed Onderzoekers Nederland (VOGON).

De auteurs signaleren dat een groot deel van de onderwijsgebouwen in Nederland – veelal gebouwd tussen 1950 en 1990 – dringend toe is aan een grondige renovatie. Deze gebouwen kampen met verouderde installaties, slechte energieprestaties en sluiten onvoldoende aan op de huidige onderwijsbehoeften. Vernieuwing is noodzakelijk om aan wet- en regelgeving te voldoen, maar ook om veiligheid, comfort en functionaliteit te waarborgen.

Centraal in het betoog staat de noodzaak om de renovatieopgave niet traditioneel, maar circulair aan te pakken. Daarbij worden materialen zoveel mogelijk hergebruikt, gebouwen flexibel ontworpen en worden installaties toekomstbestendig vernieuwd. Door gebruik te maken van Stewart Brand’s ‘Shearing Layers’-model brengen de onderzoekers in kaart waar de grootste uitdagingen zich bevinden: bij de buitenschil, installaties en indeling. Juist daar ligt volgens hen de sleutel tot een duurzame vernieuwing.

School als proeftuin

Bijzonder aan onderwijsgebouwen is hun intensieve en continue gebruik. Dat maakt ze volgens de auteurs uitermate geschikt als pilotlocaties voor circulaire renovatie, met mogelijkheden voor educatie en bewustwording van leerlingen en personeel over duurzaamheid. De toepassing van circulaire principes in deze context kan inspirerend werken voor andere sectoren in de bouw.

Daarnaast blijkt uit de literatuurstudie dat traditionele renovatieaanpakken vaak onvoldoende aansluiten bij de specifieke kenmerken van het bestaande schoolvastgoed. De combinatie van verouderde bouwmethoden, materiaalgebruik en rigide plattegronden vraagt om nieuwe ontwerpstrategieën die ruimte bieden voor aanpasbaarheid en levensduurverlenging.

Van beleidsambitie naar praktijkkaders

De onderzoekers benadrukken dat er al veel ontwerpprincipes bestaan voor circulair bouwen, zoals ‘Design for Disassembly’, modulair ontwerpen en hergebruik van materialen. De uitdaging ligt echter in het vertalen van deze principes naar bestaande gebouwen. Daarvoor is meer onderzoek nodig, evenals het ontwikkelen van praktische tools voor ontwerpers, bouwers en beleidsmakers.

Uiteindelijk pleiten Ma, Schröder en Bekkering voor een fundamentele koerswijziging in het denken over renovatie: van sloop en nieuwbouw naar hergebruik en transformatie. Door circulaire renovatie als standaardpraktijk te omarmen, kan de vastgoedsector substantieel bijdragen aan de klimaatdoelen én aan toekomstbestendig onderwijs.

Lees hier het complete artikel.

Over de auteurs
Fujing Ma is PhD-student aan de faculteit Bouwkunde aan de Technische Universiteit Eindhoven. Dr. Torsten W.A. Schröder is universitair hoofddocent duurzaamheid in architectonisch ontwerp aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e).
Prof. ir. Juliette Bekkering is hoogleraar Architectural Design and Engineering aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e).

De redactie van Real Estate Research Quarterly heeft een thema-editie uitgebracht over de circulaire economie. Naast een voorwoord bevat deze editie vijf onderzoeksartikelen.

Het themanummer presenteert onderzoek naar de toepassing van de principes van de circulaire economie in de bouw. De bouw en exploitatie van de gebouwde omgeving hebben een aanzienlijke impact op het milieu, voornamelijk door het grote aandeel in grondstoffenverbruik, afvalproductie en uitstoot van broeikasgassen. In Nederland is de bouwsector verantwoordelijk voor 40% van het nationale energieverbruik en 30% van de afvalproductie, wat de dringende noodzaak benadrukt voor duurzamere praktijken en de implementatie van de principes van de circulaire economie (van Oorschot et al., 2023).

Om de grote milieu-impact te verkleinen heeft Nederland de ambitie om voor 2050 volledig circulair te zijn. Het ambitieuze Nationaal Programma Circulaire Economie maakt het voor de bouwsector noodzakelijk om circulaire bouwstrategieën en -praktijken te adopteren om aan deze duurzaamheidsdoelstellingen te voldoen (Joensuu et al., 2020). De overgang naar een circulaire economie kan de milieu-impact aanzienlijk verminderen door de levenscyclus van gebouwen en hun materialen te verlengen door hergebruik, recycling en het verminderen van grondstoffenwinning en door afvalproductie te bevorderen en biobased-materialen te gebruiken (Malabi Eberhardt et al., 2021).

Het Nieuwe Normaal: het meten van circulariteit in de bouw

Dit artikel van Hans Wamelink en Tomas Peeters bespreekt hoe de ambitie om in 2050 volledig circulair te zijn vorm krijgt in de praktijk. Het beschrijft de ontwikkeling van een raamwerk dat verschillende circulaire indicatoren integreert, specifiek ontwikkeld voor en door de Nederlandse bouwsector: Het Nieuwe Normaal (HNN), als 1.0 versie gelanceerd in december 2023.

Lees hier het artikel ‘Het Nieuwe Normaal: het meten van circulariteit in de bouw

From vision to action: An integrative approach for circular adaptive reuse 

Brian van Laar, Mohammad B. Hamida en Angela Greco schreven dit artikel naar aanleiding van onderzoek aan de TU Delft. Circulaire transformatie kan worden ingezet om verouderde panden aan te pakken en de waarde ervan te verhogen, terwijl energiegebruik en afvalproductie worden gereduceerd en minder nieuwe grondstoffen nodig zijn. Het bij elkaar brengen van visionaire hergebruikscenario’s en ontwerpstrategieën blijft echter een uitdaging. Dit artikel presenteert een aanpak om systematisch circulaire vastgoedscenario’s te definiëren en deze te vertalen naar uitvoerbare strategieën.

Lees hier het artikel ‘From vision to action: An integrative approach for circular adaptive reuse

Hergebruik van bouwcomponenten door matching van demontage en ontwerp 

Ana Luísa Martins da Conceição van Nieuwenhuizen, Marc van den Berg en Vincent Gruis brengen in dit artikel hergebruik van gebouwniveau terug tot componentenniveau. Het matchen van vraag en aanbod van herbruikbare componenten blijft een uitdaging. Samenwerking tussen slopers en ontwikkelaars kan hierbij helpen. Met een casestudie is een samenwerking onderzocht waarbij een nieuw ‘doelgebouw’ wordt ontwikkeld met herbruikbare componenten van een ‘donorgebouw’.

Lees hier het artikel ‘Hergebruik van bouwcomponenten door matching van demontage en ontwerp

Circular Renovation of Aged Educational Buildings: Context and Necessities for Transformation in the Netherlands

Dit artikel van Fujing Ma, Thorsten Schröder en Juliette Bekkering focust op de circulaire renovatie van scholen en stelt een circulaire aanpak voor om levenscycli van gebouwen te verlengen, afval en uitstoot van broeikasgassen te verminderen en educatieve omgevingen te verbeteren. Circulaire renovatie actualiseert educatieve gebouwen en bevordert duurzaamheid in de bouwsector, wat essentieel is voor toekomstige ontwikkeling.

Lees hier het artikel ‘Circular Renovation of Aged Educational Buildings: Context and Necessities for Transformation in the Netherlands

Industrieel erfgoed (her)bestemd – het faciliteren van de circulaire maakindustrie

Dat bestaand vastgoed ook een rol kan spelen om de circulaire economie juist te faciliteren, beschrijft Christiaan Hanse in dit artikel. Duidelijk wordt dat transformatie van stedelijk industrieel erfgoed ruimte kan bieden aan circulaire maakindustrie van diverse schaalgroottes en sectoren. Dit levert vervolgens een bijdrage aan de (toekomstige) circulaire economie in steden.

Lees hier het artikel ‘Industrieel erfgoed (her)bestemd – het faciliteren van de circulaire maakindustrie

Namens de redactie,

Hilde Remøy

Download hier de complete editie.

Bronnen

  • Joensuu, T., Edelman, H., & Saari, A. (2020). Circular economy practices in the built environment. Journal of Cleaner
    Production, 276, 124215. https://doi.org/10.1016/j.jclepro.2020.124215
  • Malabi Eberhardt, L. C., van Stijn, A., Kristensen Stranddorf, L., Birkved, M., & Birgisdottir, H. (2021). Environmental Design Guidelines for Circular Building Components: The Case of the Circular Building Structure. Sustainability, 13(10), Article 10. https://doi.org/10.3390/su13105621
  • van Oorschot, J., Sprecher, B., Rijken, B., Witteveen, P., Blok, M., Schouten, N., & van der Voet, E. (2023).
    Toward a low-carbon and circular building sector: Building strategies and urbanization pathways for the Netherlands.
    Journal of Industrial Ecology, 27(2), 535–547. https://doi.org/10.1111/jiec.13375

Een nieuwe methodiek verbindt toekomstgerichte scenario’s met concrete ontwerpstrategieën voor de circulaire herontwikkeling van vastgoed. Door scenarioanalyse en circulaire ontwerpprincipes te integreren, biedt deze aanpak ontwerpers en vastgoedprofessionals een werkbaar pad om circulaire ambities te vertalen naar realistische projectstrategieën.

Dit blijkt uit het artikel ‘From vision to action: An integrative approach for circular adaptive reuse’ van Brian van Laar, Mohammad B. Hamida en Angela Greco in Real Estate Research Quarterly, het kwartaalblad van de Vereniging van Onroerend Goed Onderzoekers Nederland (VOGON).

Adaptief hergebruik speelt een sleutelrol in de transitie naar een circulaire gebouwde omgeving. Toch blijven de praktische implementatie van circulaire principes en het omgaan met toekomstige onzekerheden een uitdaging. Eerder ontwikkelde tools richten zich óf op visionaire toekomstscenario’s, óf op contextspecifieke strategieën, maar slagen er zelden in om beide effectief te combineren. Deze kloof tussen visie en uitvoering beperkt de slagkracht van circulaire transformatie.

Het artikel presenteert een zevendelige methodiek om dit gat te overbruggen. De eerste vier stappen richten zich op scenario-ontwikkeling via de Cross-Impact Balance-methode, waarmee consistente en plausibele toekomstbeelden worden geformuleerd. De laatste drie stappen maken gebruik van het Circular Building Adaptability for Adaptive Reuse (CBA-AR) framework om passende ontwerpstrategieën te selecteren en hun prestaties te toetsen op circulariteitsdoelen.

Van hypothetisch project naar bruikbare strategie

De methodiek werd getest op een hypothetisch herontwikkelingsproject van een monumentaal pand in Nederland. Op basis van elf kernfactoren zoals regelgeving, erfgoedwaarde en aanpasbaarheid, werden scenario’s gegenereerd die de richting bepaalden voor de selectie van circulaire strategieën. Daarbij werd onder meer gebruikgemaakt van AI-gegenereerde visualisaties om scenario’s inzichtelijk te maken voor stakeholders.

Cruciaal in deze aanpak is de afstemming van projectdoelstellingen op strategieën. Als bijvoorbeeld historische waarde als prioriteit wordt gesteld, vergt dit behoudgerichte keuzes, wat weer consequenties heeft voor technische ingrepen. Deze dynamiek laat zien hoe strategische scenario-ontwikkeling de haalbaarheid van circulaire strategieën beïnvloedt.

Hanteerbare aanpak voor de praktijk

Hoewel de methode geen kant-en-klare ontwerpen oplevert, fungeert zij als gids en beslissingsondersteunend instrument in de vroege projectfasen. Door het combineren van waardegeoriënteerde scenario’s met beproefde hergebruikstrategieën kunnen ontwerp- en vastgoedprofessionals gefundeerde keuzes maken die zowel toekomstbestendig als praktisch uitvoerbaar zijn.

Toekomstig onderzoek zou zich kunnen richten op het standaardiseren van de selectiecriteria voor scenariofactoren en het ontwikkelen van semikwantitatieve tools om subjectieve oordelen beter te onderbouwen. Bovendien zou praktijktoepassing in echte projecten bijdragen aan verdere verfijning van de aanpak.

Lees hier het complete artikel

Over de auteurs

Brian van Laar is PhD-onderzoeker aan de Technische Universiteit Delft (TU Delft) en richt zich op besluitvormingsprocessen bij adaptief hergebruik in de gebouwde omgeving.

Mohammad B. Hamida is PhD-onderzoeker aan TU Delft en ontwikkelt frameworks voor het integreren van circulaire economieprincipes in duurzame gebouwadaptatie.

Angela Greco is universitair docent Innovatiemanagement aan TU Delft en senior wetenschapper bij TNO Vector, Centrum voor Maatschappelijke Innovatie en Strategie.

© Copyright 2022 Vereniging van Onroerend Goed Onderzoekers Nederland. Alle rechten voorbehouden. Privacy Verklaring