Tag Archief van: duurzaamheid

Onderzoekers Brian van Laar, Mohammad B. Hamida en Angela Greco van TU Delft hebben de VOGON Research Award 2026 gewonnen met hun artikel ‘From vision to action: An integrative approach for circular adaptive reuse’. De winnaars werden bekendgemaakt tijdens het VOGON-symposium op 12 mei 2026.

Adaptief hergebruik speelt een sleutelrol in de transitie naar een circulaire gebouwde omgeving. Toch blijven de praktische implementatie van circulaire principes en het omgaan met toekomstige onzekerheden een uitdaging. Eerder ontwikkelde tools richten zich óf op visionaire toekomstscenario’s, óf op contextspecifieke strategieën, maar slagen er zelden in om beide effectief te combineren. Deze kloof tussen visie en uitvoering beperkt de slagkracht van circulaire transformatie.

Het winnende artikel presenteert een zevendelige methodiek om dit gat te overbruggen. De eerste vier stappen richten zich op scenario-ontwikkeling via de Cross-Impact Balance-methode, waarmee consistente en plausibele toekomstbeelden worden geformuleerd. De laatste drie stappen maken gebruik van het Circular Building Adaptability for Adaptive Reuse (CBA-AR) framework om passende ontwerpstrategieën te selecteren en hun prestaties te toetsen op circulariteitsdoelen.

Lees hier het complete artikel.

De jury van de VOGON Research Award selecteerde het winnende artikel uit de jaarbundel 2025 van Real Estate Research Quarterly. Vorig jaar ging de prijs naar Dewi Anakram voor zijn artikel “Split incentives, energielabels en woninghuren” in de RERQ-jaargang 2024.

Over de winnaars

Brian van Laar is PhD-onderzoeker aan de Technische Universiteit Delft (TU Delft) en richt zich op besluitvormingsprocessen bij adaptief hergebruik in de gebouwde omgeving. Mohammad B. Hamida is PhD-onderzoeker aan TU Delft en ontwikkelt frameworks voor het integreren van circulaire economieprincipes in duurzame gebouwadaptatie. Angela Greco is universitair docent Innovatiemanagement aan TU Delft en senior wetenschapper bij TNO Vector, Centrum voor Maatschappelijke Innovatie en Strategie.

VOGON Research Award

De VOGON Research Award is een stimuleringsprijs die jaarlijks wordt uitgereikt aan de best beoordeelde vastgoedpublicaties in Real Estate Research Quarterly. De winnaar ontvangt een oorkonde en een geldbedrag. De award wordt toegekend door een jury van Nederlandse vastgoeddeskundigen die artikelen beoordelen die zijn verschenen in het voorgaande jaar.

Criteria
Bij de selectie van de beste artikelen worden de volgende vier criteria gehanteerd: relevantie en bruikbaarheid voor de Nederlandse vastgoedmarkt, vernieuwend dan wel origineel qua aanpak, thematiek of invalshoek, gebaseerd op eigen onderzoek, op secundaire analyse dan wel een kritische reflectie en een hoge mate van consistentie en toegankelijkheid.

Jury

De jury bestaat uit Hans Vrensen (voorzitter, AEW), Maarten Jennen (PGGM), Dick Vos (VMC Invest) en Aart Hordijk.

Op de foto
Van links naar rechts: Jurylid prof. dr. Aart Hordijk, prijswinnaar Mohammad B. Hamida en VOGON-voorzitter Madeline Buijs.

Duurzaamheid is geen vrijwillige keuze meer, maar een strategische noodzaak voor institutionele vastgoedbeleggers. In het artikel ‘Dubbele materialiteit en regie in vastgoedbeleggingen: de rol van institutionele beleggers in verduurzaming’ beschrijft Hans Op ’t Veld in de Real Estate Research Quarterly hoe beleggers zich positioneren tussen wetgeving, maatschappelijke verwachtingen en hun eigen ambities. De belangrijkste conclusie: de vastgoedsector kan pas écht verduurzamen als beleggers niet alleen volgen, maar actief de regie nemen over de transitie.

Volgens Op ’t Veld is het concept van dubbele materialiteit inmiddels stevig verankerd in beleid en regelgeving. Institutionele beleggers dienen niet langer alleen financiële risico’s te beheersen, maar ook expliciet te maken welke milieu- en maatschappelijke doelen ze nastreven. Die verbreding van hun fiduciaire taakopvatting – van enkel financieel rendement naar ook maatschappelijke impact – zet de klassieke beleggingslogica onder druk. Toch wordt die spanning steeds vaker geaccepteerd, mede omdat de gevolgen van klimaatverandering, woningnood en sociale ongelijkheid zich nadrukkelijk manifesteren in de vastgoedmarkt.

Hoewel veel beleggers hun duurzaamheidsbeleid primair onderbouwen vanuit het ESG-perspectief – gericht op het beschermen van beleggingswaarde – wint de impactbenadering terrein. Daarin draait het om de bijdrage die een belegging levert aan maatschappelijke verbetering. Maar het meten van die bijdrage is lastig: data zijn gefragmenteerd en definities lopen uiteen. Hierdoor blijft onduidelijk of impactbeleggen financiële concessies vergt. Sommige studies suggereren lagere rendementen, andere wijzen juist op gelijkwaardige of zelfs betere prestaties. Deze onzekerheid weerhoudt beleggers er echter niet van om ambities te formuleren – al is het maar vanwege druk van stakeholders en het reputatiebelang.

Van volgen naar leiden

Om geloofwaardig bij te dragen aan verduurzaming moeten beleggers hun verantwoordelijkheid concreet maken. Dat betekent sturen op duidelijke duurzaamheidseisen richting de vastgoedketen en het aanjagen van innovatie in ontwerp, bouw en exploitatie. Vooral bij net-zero-doelstellingen en thema’s als betaalbaarheid en gezondheid vraagt dit om scherpe keuzes en consistente eisen. De sector is nu nog te veel gefragmenteerd, stelt Op ’t Veld, waardoor ketenpartners onvoldoende inspelen op elkaars duurzaamheidsdoelen. Meer samenwerking en standaardisatie zijn nodig, bijvoorbeeld rondom de hele levenscyclus van gebouwen en het reduceren van ‘embodied carbon’.

De overheid speelt hierin zeker een rol, maar mag niet de enige regisseur zijn. Beleggers zijn bij uitstek in positie om richting te geven aan verduurzaming, juist omdat ze langetermijnbelangen vertegenwoordigen. Door als opdrachtgever duidelijke verwachtingen te formuleren, kunnen ze de keten mobiliseren. Dat vereist wel inzicht in de kosten en baten van duurzaamheidsmaatregelen – op zowel korte als lange termijn. Transparantie hierover is cruciaal voor betere besluitvorming en het opschalen van effectieve oplossingen.

Eenduidige taal, meer impact

Een ander struikelblok is het gebrek aan eenduidigheid in de communicatie over duurzaamheid. Hoewel veel partijen zich baseren op internationale raamwerken zoals de Sustainable Development Goals, is de interpretatie ervan zelden uniform. De wirwar aan labels, definities en meetmethodes maakt het lastig om prestaties te vergelijken. Volgens Op ’t Veld is het tijd dat de sector zelf afspraken maakt over wat onder maatschappelijke bijdrage wordt verstaan. Dat voorkomt verwarring én reduceert de administratieve lasten van het rapporteren.

De verduurzaming van vastgoed vereist dus meer dan beleidsambities en goede bedoelingen. Institutionele beleggers moeten hun voortrekkersrol waarmaken door het debat over financiële én maatschappelijke waarde te verdiepen en te vertalen naar concrete keuzes. Dat vraagt om samenwerking, standaardisatie en – vooral – de bereidheid om leidend te zijn in een complex speelveld.

Lees hier het complete artikel.

Over de auteur
Hans Op ’t Veld is Research Fellow aan de Amsterdam School of Real Estate (ASRE). Daarnaast is hij Principal Director Responsible Investment bij PGGM en verbonden aan SDI AOP, het Sustainable Development Investments Asset Owner Platform, een samenwerkingsverband van internationale institutionele beleggers ter bevordering van duurzame beleggingen.

RERQ-redactielid Hilde Remøy, hoogleraar Real Estate Management aan de TU Delft, kijkt met een scherpe blik naar de gebouwde omgeving. Als expert in adaptieve herbestemming pleit ze al jaren voor een radicaal andere manier van omgaan met vastgoed. In de aula van de TU Delft hield ze tijdens een academische plechtigheid op vrijdag 10 oktober 2025 haar intreerede als hoogleraar.

“Als we een gebouw twee keer zo lang gebruiken, halveren we het materiaalgebruik en de hoeveelheid afval”

Niet slopen, maar slim transformeren: dat is de kern van haar werk. “De bouwsector is verantwoordelijk voor 40 procent van het afval, het grondstoffenverbruik en de CO?-uitstoot. Dat is gigantisch. En toch worden de meeste gebouwen aan het einde van hun levensduur gewoon afgebroken.”

Al tijdens haar studie in Trondheim in haar geboorteland Noorwegen raakte ze gefascineerd door de mogelijkheden van hergebruik. Van een opslagruimte die verandert in een kantoor tot een metrostation dat dienstdoet als nachtclub – transformatie is overal mogelijk, mits je bereid bent anders te kijken. Haar promotieonderzoek in de nasleep van de dotcomcrisis bracht haar in aanraking met lege kantoren die niemand leek te missen. “Het viel me op dat leegstand nauwelijks als probleem werd gezien. Terwijl er zoveel kansen lagen. Maar duurzaamheid en klimaat waren toen nog nauwelijks onderwerp van gesprek.”

Inmiddels, ruim twintig jaar later, is dat fundamenteel veranderd. De urgentie is groot: klimaatverandering, grondstoffenschaarste, woningnood – de gebouwde omgeving staat centraal in veel maatschappelijke opgaven. Remøy is dan ook helder over de rol van haar vakgebied: “Als wij als vastgoedprofessionals en wetenschappers geen bijdrage leveren aan klimaatmitigatie en adaptatie, wie dan wel?”

“Sloop wordt nog te vaak als vanzelfsprekend gezien, terwijl hergebruik enorme kansen biedt – technisch, sociaal en economisch”

De kracht van adaptieve herbestemming ligt volgens Remøy in het meervoudige rendement: minder materiaalgebruik, minder afval, meer maatschappelijke waarde. Toch zijn er tal van obstakels. In haar onderzoek onderscheidt ze vijf categorieën van barrières: juridische, financiële, bouwtechnische, culturele en duurzaamheidsgerelateerde. “Denk aan trage vergunningstrajecten, strikte bestemmingsplannen of bouwcodes die renovatie ontmoedigen. Of aan gebouwen die technisch lastig aanpasbaar zijn, vanwege vloerbelasting of aanwezigheid van asbest.”

Daarnaast is er vaak een culturele voorkeur voor nieuwbouw. “Sommige architecten kiezen bewust voor een blanco canvas, terwijl juist hergebruik kansen biedt voor creativiteit en innovatie. Ook duurzaamheidskaders zijn nog sterk gericht op nieuwbouw, omdat er simpelweg te weinig levenscyclusdata is om hergebruik goed te onderbouwen.”

Toch ziet ze positieve ontwikkelingen. Steeds meer steden nemen herbestemming actief mee in hun beleid. “Gemeenten als Rotterdam, Eindhoven en Amsterdam tonen dat het anders kan. En ook op financieel vlak komen er meer stimuleringsmaatregelen. Het vraagt wel een andere manier van denken, waarin hergebruik niet het sluitstuk is, maar het startpunt.”

“Gebouwen met karakter worden geliefd, maar waardering ontwikkelt zich vaak pas in de tijd”

Een intrigerend onderdeel van Remøy’s werk is het begrip ‘waardering’. Waarom wordt het ene gebouw gekoesterd en het andere afgedankt? “Appreciatie is vaak intuïtief. Mensen zeggen: ‘Het voelt goed’ of ‘Dit gebouw heeft karakter’. Maar dat is lastig meetbaar – en dat maakt het moeilijk voor beleidsmakers om die waarde te erkennen.”

Remøy onderzoekt daarom hoe waardering ontstaat en verandert. Ze werkt in cocreatie met gebruikers, ontwerpers en beleidsmakers aan methodes om waardering inzichtelijk te maken. “Veel studies kijken naar één moment in de tijd, maar waardering is dynamisch. Een gebouw kan nu als lelijk worden gezien, maar over twintig jaar een geliefd monument zijn. Kijk naar onze eigen faculteit: ooit verguisd, nu gekoesterd.”

“Vastgoedwaarde draait om meer dan inkomsten: we moeten ook erfgoedwaarde, gebruikswaarde en milieubelasting meewegen”

Volgens Remøy wordt vastgoed nog te eenzijdig gewaardeerd. In de traditionele benadering telt vooral het verwachte financiële rendement. Maar dat doet tekort aan de maatschappelijke waarde van vastgoed. “Vastgoed is een sociaal, ecologisch én cultureel kapitaal. Toch is het huidige waarderingssysteem daar blind voor.”

In het internationale QuiVal-project werkt ze samen met zeven universiteiten en dertien promovendi aan een nieuwe benadering: Quantum Inspired Valuation of Circular Real Estate. “We halen inspiratie uit de kwantummechanica om waarde te begrijpen als iets vloeiends, meervoudigs en perspectiefafhankelijk. Voor de een is een gebouw een investeringsobject, voor de ander een stukje erfgoed of een gemeenschapsruimte.”

Remøy stelt een alternatieve waarderingsformule voor, waarin locatie-, gebruiks-, milieu- én erfgoedwaarde samenkomen. “De uitdaging is nu: hoe maken we deze waarden meetbaar? En hoe vertalen we dat naar instrumenten die beleidsmakers en beleggers echt kunnen gebruiken?”

“Toekomstbestendig vastgoed vraagt om een levend denkkader – adaptief, circulair en voortdurend in ontwikkeling”

De kern van haar benadering ligt in de integratie van drie pijlers: gebruikswaarde, vastgoedwaarde en levensduurdenken. Elk van deze domeinen wordt traditioneel apart onderzocht – respectievelijk door facility managers, bedrijfskundigen en architecten. Remøy brengt ze samen in een interdisciplinair raamwerk. “Mijn achtergrond als architect en vastgoedonderzoeker stelt me in staat die brug te slaan. En dat is hard nodig, want de vraagstukken van nu laten zich niet vangen in één vakgebied.”

Een goed voorbeeld is de levensduurbenadering. Veel theorieën over aanpasbaarheid – zoals die van Stewart Brand – worden gebruikt om nieuwe gebouwen flexibeler te ontwerpen. Maar volgens Remøy worden ze net zo goed misbruikt om sloop te rechtvaardigen. “Dan zegt men: ‘Laten we maar opnieuw beginnen, dan kunnen we het meteen goed doen’. Maar dat is precies het tegenovergestelde van wat we nodig hebben. We móéten leren werken met wat er al staat.”

Daarom ontwikkelt ze, samen met Europese partners, besluitvormingskaders voor hergebruik. Eerst wordt gekeken of renovatie en levensduurverlenging mogelijk is. Dan volgt de optie tot herbestemming. Pas als beide niet haalbaar zijn, komt het hergebruik van onderdelen en materialen in beeld. “Zo bouwen we aan een levend denkkader voor toekomstbestendig vastgoedbeheer – flexibel, lerend en in verbinding met de praktijk.”

“Open onderwijs, open onderzoek en open leiderschap – dat is de manier waarop we het verschil maken”

Remøy’s werk strekt zich uit tot ver buiten de muren van de universiteit. Ze begeleidde meer dan 130 masterstudenten, bouwde een onderzoeksnetwerk met overheden en bedrijven, en werkt in internationale consortia. Haar aanpak is doordrenkt van openheid. “Ik geloof in open science en open education – alleen zo creëren we impact. En in mijn team werk ik met open leiderschap: inclusief, divers en met ruimte voor ieders ideeën.”

Dat leidt niet alleen tot betere wetenschap, maar ook tot gemotiveerdere mensen. “Als je medewerkers de ruimte geeft om bij te dragen vanuit hun kracht, krijg je betere resultaten en een sterker team.” Remøy pleit ook breder voor meer openheid in het maatschappelijke debat. “Juist in een polariserende wereld is een open, respectvolle dialoog essentieel.”

Het transformeren van verouderde schoolgebouwen via circulaire renovatie biedt niet alleen kansen voor verduurzaming van de gebouwde omgeving, maar ook voor het verbeteren van leeromstandigheden.

Dat concluderen Fujing Ma, Torsten Schröder en Juliette Bekkering in hun artikel “Circular Renovation of Aged Educational Buildings: Context and Necessities for Transformation in the Netherlands”, verschenen in Real Estate Research Quarterly, het vakblad van de Vereniging van Onroerend Goed Onderzoekers Nederland (VOGON).

De auteurs signaleren dat een groot deel van de onderwijsgebouwen in Nederland – veelal gebouwd tussen 1950 en 1990 – dringend toe is aan een grondige renovatie. Deze gebouwen kampen met verouderde installaties, slechte energieprestaties en sluiten onvoldoende aan op de huidige onderwijsbehoeften. Vernieuwing is noodzakelijk om aan wet- en regelgeving te voldoen, maar ook om veiligheid, comfort en functionaliteit te waarborgen.

Centraal in het betoog staat de noodzaak om de renovatieopgave niet traditioneel, maar circulair aan te pakken. Daarbij worden materialen zoveel mogelijk hergebruikt, gebouwen flexibel ontworpen en worden installaties toekomstbestendig vernieuwd. Door gebruik te maken van Stewart Brand’s ‘Shearing Layers’-model brengen de onderzoekers in kaart waar de grootste uitdagingen zich bevinden: bij de buitenschil, installaties en indeling. Juist daar ligt volgens hen de sleutel tot een duurzame vernieuwing.

School als proeftuin

Bijzonder aan onderwijsgebouwen is hun intensieve en continue gebruik. Dat maakt ze volgens de auteurs uitermate geschikt als pilotlocaties voor circulaire renovatie, met mogelijkheden voor educatie en bewustwording van leerlingen en personeel over duurzaamheid. De toepassing van circulaire principes in deze context kan inspirerend werken voor andere sectoren in de bouw.

Daarnaast blijkt uit de literatuurstudie dat traditionele renovatieaanpakken vaak onvoldoende aansluiten bij de specifieke kenmerken van het bestaande schoolvastgoed. De combinatie van verouderde bouwmethoden, materiaalgebruik en rigide plattegronden vraagt om nieuwe ontwerpstrategieën die ruimte bieden voor aanpasbaarheid en levensduurverlenging.

Van beleidsambitie naar praktijkkaders

De onderzoekers benadrukken dat er al veel ontwerpprincipes bestaan voor circulair bouwen, zoals ‘Design for Disassembly’, modulair ontwerpen en hergebruik van materialen. De uitdaging ligt echter in het vertalen van deze principes naar bestaande gebouwen. Daarvoor is meer onderzoek nodig, evenals het ontwikkelen van praktische tools voor ontwerpers, bouwers en beleidsmakers.

Uiteindelijk pleiten Ma, Schröder en Bekkering voor een fundamentele koerswijziging in het denken over renovatie: van sloop en nieuwbouw naar hergebruik en transformatie. Door circulaire renovatie als standaardpraktijk te omarmen, kan de vastgoedsector substantieel bijdragen aan de klimaatdoelen én aan toekomstbestendig onderwijs.

Lees hier het complete artikel.

Over de auteurs
Fujing Ma is PhD-student aan de faculteit Bouwkunde aan de Technische Universiteit Eindhoven. Dr. Torsten W.A. Schröder is universitair hoofddocent duurzaamheid in architectonisch ontwerp aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e).
Prof. ir. Juliette Bekkering is hoogleraar Architectural Design and Engineering aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e).

Een nieuwe methodiek verbindt toekomstgerichte scenario’s met concrete ontwerpstrategieën voor de circulaire herontwikkeling van vastgoed. Door scenarioanalyse en circulaire ontwerpprincipes te integreren, biedt deze aanpak ontwerpers en vastgoedprofessionals een werkbaar pad om circulaire ambities te vertalen naar realistische projectstrategieën.

Dit blijkt uit het artikel ‘From vision to action: An integrative approach for circular adaptive reuse’ van Brian van Laar, Mohammad B. Hamida en Angela Greco in Real Estate Research Quarterly, het kwartaalblad van de Vereniging van Onroerend Goed Onderzoekers Nederland (VOGON).

Adaptief hergebruik speelt een sleutelrol in de transitie naar een circulaire gebouwde omgeving. Toch blijven de praktische implementatie van circulaire principes en het omgaan met toekomstige onzekerheden een uitdaging. Eerder ontwikkelde tools richten zich óf op visionaire toekomstscenario’s, óf op contextspecifieke strategieën, maar slagen er zelden in om beide effectief te combineren. Deze kloof tussen visie en uitvoering beperkt de slagkracht van circulaire transformatie.

Het artikel presenteert een zevendelige methodiek om dit gat te overbruggen. De eerste vier stappen richten zich op scenario-ontwikkeling via de Cross-Impact Balance-methode, waarmee consistente en plausibele toekomstbeelden worden geformuleerd. De laatste drie stappen maken gebruik van het Circular Building Adaptability for Adaptive Reuse (CBA-AR) framework om passende ontwerpstrategieën te selecteren en hun prestaties te toetsen op circulariteitsdoelen.

Van hypothetisch project naar bruikbare strategie

De methodiek werd getest op een hypothetisch herontwikkelingsproject van een monumentaal pand in Nederland. Op basis van elf kernfactoren zoals regelgeving, erfgoedwaarde en aanpasbaarheid, werden scenario’s gegenereerd die de richting bepaalden voor de selectie van circulaire strategieën. Daarbij werd onder meer gebruikgemaakt van AI-gegenereerde visualisaties om scenario’s inzichtelijk te maken voor stakeholders.

Cruciaal in deze aanpak is de afstemming van projectdoelstellingen op strategieën. Als bijvoorbeeld historische waarde als prioriteit wordt gesteld, vergt dit behoudgerichte keuzes, wat weer consequenties heeft voor technische ingrepen. Deze dynamiek laat zien hoe strategische scenario-ontwikkeling de haalbaarheid van circulaire strategieën beïnvloedt.

Hanteerbare aanpak voor de praktijk

Hoewel de methode geen kant-en-klare ontwerpen oplevert, fungeert zij als gids en beslissingsondersteunend instrument in de vroege projectfasen. Door het combineren van waardegeoriënteerde scenario’s met beproefde hergebruikstrategieën kunnen ontwerp- en vastgoedprofessionals gefundeerde keuzes maken die zowel toekomstbestendig als praktisch uitvoerbaar zijn.

Toekomstig onderzoek zou zich kunnen richten op het standaardiseren van de selectiecriteria voor scenariofactoren en het ontwikkelen van semikwantitatieve tools om subjectieve oordelen beter te onderbouwen. Bovendien zou praktijktoepassing in echte projecten bijdragen aan verdere verfijning van de aanpak.

Lees hier het complete artikel

Over de auteurs

Brian van Laar is PhD-onderzoeker aan de Technische Universiteit Delft (TU Delft) en richt zich op besluitvormingsprocessen bij adaptief hergebruik in de gebouwde omgeving.

Mohammad B. Hamida is PhD-onderzoeker aan TU Delft en ontwikkelt frameworks voor het integreren van circulaire economieprincipes in duurzame gebouwadaptatie.

Angela Greco is universitair docent Innovatiemanagement aan TU Delft en senior wetenschapper bij TNO Vector, Centrum voor Maatschappelijke Innovatie en Strategie.

Tijdens de E-CREDA Annual Conference op 16 mei 2025 in Amsterdam werd pijnlijk duidelijk dat de vastgoedsector zich in een fundamentele transitie bevindt. De rode draad? In een wereld vol onzekerheid zijn data, technologie en nieuwe vaardigheden essentieel om relevant te blijven.

In zijn keynote toonde Hans Op’t Veld aan hoe het speelveld verschuift richting operationeel vastgoed. Beleggingsrendementen zijn steeds vaker afhankelijk van de prestaties van onderliggende bedrijfsmodellen, niet enkel van het vastgoedobject zelf. Dit vraagt om een herijking van traditionele waarderingsmethoden een bredere blik op risico’s en belangrijker nog een nieuwe set aan skills voor de vastgoedprofessional.

Huib Vaessen (APG) liet zien hoe AI inmiddels een integraal onderdeel vormt van het beleggingsproces. Door besluitvorming te structureren en te verrijken met data, ontstaat een digitale ‘teamgeest’ die consistentie en snelheid bevordert.

Ook Arjan Knibbe (KR&A) benadrukte de kracht van alternatieve data. Van snellere due diligence tot directe deal sourcing: wie data slim inzet, wint tijd én inzicht. Tegelijkertijd waarschuwde hij voor het blind vertrouwen op AI: intuïtie en ervaring blijven onmisbaar.

Simon Mallinson (Income Analytics) pleitte voor een fundamenteel andere kijk op huurdersrisico’s. “Een huurcontract is in wezen een lening”, stelde hij. Door kredietrisico’s te benaderen zoals in de obligatiemarkt, kunnen beleggers verrassingen voorkomen.

Transparantie was het centrale thema in de bijdrage van Bert Teuben (INREV). Hij presenteerde tools die inzicht geven op zowel fonds- als assetniveau. Zijn boodschap: betere datakwaliteit leidt tot betere beslissingen.

Willem Vlaming (MSCI/UvA) brak een lans voor Britse en Nederlandse taxateurs. De afwaarderingen in de huidige correctie hebben sneller plaatsgevonden dan waarneembaar in gesloten transacties. De snelle correctie zorgt voor transparantie in de markt.

Will Robson (MSCI) onderzocht value-add strategieën. Zijn conclusie: hoewel deze strategieën potentieel bieden, verdwijnt veel van de vermeende ‘alpha’ zodra men corrigeert voor leverage en markttiming. Managerselectie blijft cruciaal.

Tot slot lieten Farley Ishaak (CBS/TU Delft) en Lukas Hofmann (UvA) zien hoe duurzaamheid en bodemdaling tastbare effecten hebben op vastgoedprijzen. Granulaire, locatiespecifieke data zijn onmisbaar voor toekomstbestendige besluitvorming.

De conclusie? Vastgoedprofessionals moeten zich heruitvinden. Dat betekent: AI omarmen, waarderingskaders herzien, en leren van andere sectoren. Alleen zo blijft de sector wendbaar en weerbaar in een wereld die steeds sneller verandert.

Portfoliomanager Dewi Anakram van de ontwikkelende woningbelegger Amvest is winnaar van de VOGON Research Award 2025. Hij won met het artikel “Split incentives, energielabels en woninghuren”, geschreven met coauteurs Martijn Dröes en Arthur Marquard. De winnaar werd bekend gemaakt tijdens het VOGON-symposium op 10 april 2025.

In het artikel beschrijft Anakram hoe energiezuinige huurwoningen in de vrije sector een hogere huurprijs realiseren dan minder duurzame woningen. Het huurprijsverschil varieert van +3,5% voor een A-label tot +12% voor een A++++-label. Onzuinige energielabels kennen daarentegen een discount: -2,7% voor een C-label tot -12,3% voor een E-label. Uit het onderzoek blijkt verder dat het verduurzamen van een woning een indicatief investeringsbudget tussen 39.000 en 48.000 euro kan rechtvaardigen bij een sprong van een E- naar een A-label. Dit sluit aan bij eerdere studies naar koopwoningen, waar soortgelijke waardestijgingen zijn waargenomen. Anakram schreef zijn artikel op basis van zijn masterscriptie voor de MSRE-opleiding aan de Amsterdam School of Real estate (ASRE).

De jury van de VOGON Research Award selecteerde het winnende artikel uit de jaarbundel 2024 van Real Estate Research Quarterly. De overige genomineerde artikelen waren “De invloed van de middenhuurregeling op de potentiële huur en marktwaarde” van Maarten van ’t Hek en Marc Francke en “Prijseffecten overstromingsrisico’s op de Nederlandse woningmarkt” van Lianne Hans. Vorig jaar ging de prijs naar Simon Verstraten voor zijn artikel over de bouwkostenontwikkeling in de RERQ-jaargang 2023.

Download hier het winnende artikel, lees de scriptie of beluister de aflevering van de podcast Het Vastgoedinstituut waarin Dewi Anakram vertelt over de uitkomsten van zijn onderzoek.  

VOGON Research Award

De VOGON Research Award is een stimuleringsprijs die jaarlijks wordt uitgereikt aan de best beoordeelde vastgoedpublicaties in Real Estate Research Quarterly. De winnaar ontvangt een oorkonde en een geldbedrag. De award wordt toegekend door een jury van Nederlandse vastgoeddeskundigen die artikelen beoordelen die zijn verschenen in het voorgaande jaar.

Criteria

Bij de selectie van de beste artikelen worden de volgende vier criteria gehanteerd: relevantie en bruikbaarheid voor de Nederlandse vastgoedmarkt, vernieuwend dan wel origineel qua aanpak, thematiek of invalshoek, gebaseerd op eigen onderzoek, op secundaire analyse dan wel een kritische reflectie en een hoge mate van consistentie en toegankelijkheid.

Jury

De jury bestaat uit Hans Vrensen (voorzitter, AEW), Maarten Jennen (PGGM), Dick Vos (VMC Invest) en Aart Hordijk.

Juryvoorzitter Hans Vrensen draagt voor uit het juryrapport.

Onderzoeker Lianne Hans van het Kadaster ontvangt een oorkonde en bloemen voor de nominatie van haar artikel voor de VOGON Research Award 2025.

Marc Francke (rechts) ontvangt een oorkonde voor de nominatie van zijn artikel. Symposiumvoorzitter Jannes van Loon reikt de bloemen aan.

Energiezuinige huurwoningen in de vrije sector realiseren een hogere huurprijs dan minder duurzame woningen. De huurprijsstijging varieert van +3,5% voor een A-label tot +12% voor een A++++-label. Onzuinige energielabels kennen daarentegen een korting: -2,7% voor een C-label tot -12,3% voor een E-label. Sinds de energiecrisis van 2022 zijn de premies voor energiezuinige woningen toegenomen, vooral bij meergezinswoningen.

Deze conclusies trekken vastgoedonderzoekers Dewi Anakram, Martijn Dröes en Arthur Marquard in hun artikel ‘Split incentives, energielabels en woninghuren’ in het kwartaalblad Real Estate Research Quarterly van de Vereniging van Onroerendgoed Onderzoekers Nederland (VOGON).

Het onderzoek richt zich op huurtransacties in de vrije sector, omdat daar geen directe koppeling is tussen energielabel en huurprijs, zoals bij gereguleerde huurwoningen. De dataset omvat 105.573 huurtransacties tussen 2016 en 2023, afkomstig van zeven institutionele beleggers. Met een hedonisch prijsmodel is onderzocht hoe het energielabel de huurprijs beïnvloedt, waarbij is gecorrigeerd voor locatie, woningtype en andere kenmerken.

Grote plus, kleinere min

Sinds de energiecrisis van 2022 is de waarde van energiezuinige woningen verder gestegen, terwijl de kortingen op onzuinige woningen juist minder groot zijn geworden. Dit is een opvallende ontwikkeling, omdat werd verwacht dat de energiecrisis het belang van duurzaamheid verder zou versterken in zowel positieve als negatieve zin. Toch blijkt dat vooral de premies voor energiezuinige labels A+ en hoger zijn toegenomen, wat erop wijst dat beleggers en huurders meer waarde hechten aan energie-efficiëntie.

Uit het onderzoek blijkt verder dat het verduurzamen van een woning een indicatief investeringsbudget tussen de 39.000 en 48.000 kan rechtvaardigen bij een sprong van een E- naar een A-label. Dit sluit aan bij eerdere studies naar koopwoningen, waar soortgelijke waardestijgingen zijn waargenomen.

Ook indirecte voordelen

Tegelijkertijd tonen praktijkvoorbeelden aan dat de werkelijke verduurzamingskosten vaak hoger liggen dan de gekapitaliseerde huurprijsverschillen. Dit suggereert dat de rendabiliteit van verduurzaming niet alleen afhangt van hogere huurinkomsten, maar ook van indirecte voordelen zoals lagere onderhoudskosten en een hogere vastgoedwaarde.

De uitkomsten bieden beleggers en verhuurders die verduurzaming overwegen inzicht in de opbrengst daarvan. Verduurzaming kan niet alleen bijdragen aan klimaatdoelstellingen, maar ook financieel aantrekkelijk zijn door hogere huren en waardestijgingen. Wel blijkt dat gerealiseerde verduurzamingskosten vaak hoger liggen dan de gekapitaliseerde huurprijsverschillen. Dit suggereert dat naast directe huurstijgingen ook indirecte factoren zoals lagere onderhoudskosten en waardevermeerdering een rol spelen bij de businesscase voor verduurzaming.

Lees hier het complete artikel. Dit artikel is gebaseerd op de afstudeerscriptie van Dewi Anakram voor de MSRE-opleiding aan de Amsterdam School of Real Estate.

Over de auteurs

Dewi Anakram Msc MSRE is assetmanager bij Amvest, een investment manager en ontwikkelaar van woningen en woongebieden in Nederland. Dr. Martijn Dröes is universitair hoofddocent in Real Estate Finance aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Amsterdam School of Real Estate (ASRE). Drs. Arthur Marquard is programmamanager van de Master of Science in Real Estate (MSRE) aan de Amsterdam School of Real Estate (ASRE).

Energiezuinige woningen worden in de Utrechtse woningmarkt steeds populairder en kopers zijn bereid hiervoor meer te betalen. Dit is vooral merkbaar sinds de energieprijzen zijn gestegen door de oorlog in Oekraïne.

Dat blijkt uit een studie van Lars Mol en Edwin Buitelaar gepubliceerd in het kwartaalblad Real Estate Research Quarterly van de Vereniging van Vastgoedonderzoekers in Nederland (VOGON). De studie “Het huis als bescherming tegen energieprijzen” laat zien dat de marktwaarde van woningen met een groen energielabel harder stijgt dan die van woningen met grijs label.

Door het analyseren van transactiegegevens over een periode van tien jaar hebben Mol en Buitelaar ontdekt dat huizen met een energielabel A, B, of C gemiddeld 8,3% per vierkante meter duurder zijn dan huizen met een lager label. Dit wijst op een toenemende waardering voor energie-efficiëntie op de woningmarkt en laat zien dat investeringen in duurzaamheid financieel aantrekkelijk kunnen zijn.

Hun onderzoeksmethode omvatte een analyse van woningverkopen in Utrecht, gecombineerd met informatie over de energieprijzen per kwartaal. Ze gebruikten een difference-in-difference-analyse om te onderzoeken hoe de waardering voor energiezuinige huizen samenhangt met de energieprijzen. De resultaten tonen een duidelijke link aan tussen hogere energieprijzen en een toegenomen waardering voor energiezuinige woningen.

Deze bevindingen geven inzicht in de huidige markttrends en suggereren dat duurzaamheid in de toekomst een nog belangrijkere rol gaat spelen in de vastgoedontwikkeling. Naarmate energieprijzen stijgen en de aandacht voor het milieu toeneemt, is de verwachting dat de vraag naar energiezuinige woningen alleen maar zal groeien. Dit biedt kansen voor ontwikkelaars en beleidsmakers om te investeren in duurzame oplossingen, wat niet alleen goed is voor het milieu, maar ook financiële voordelen kan opleveren.

Lees hier het complete artikel.

Over de auteurs
Lars Mol is adviseur planeconomie bij Antea Group. Edwin Buitelaar is werkzaam als hoogleraar grond- en vastgoedontwikkeling bij de Universiteit Utrecht en als research associate bij het Planbureau voor de Leefomgeving.

Het artikel van Mol en Buitelaar is opgenomen in het RERQ-jaarboek 2023.

VOGON-bestuurslid Michiel Daams heette alle talenten en toehoorders welkom bij het VOGON-Talentseminar 2023 op 6 oktober bij de Amsterdam School of Real Estate. In twee sessies van uur presenteerden in verschillende zalen acht talenten hun uiteenlopende afstudeeronderzoeken.

Alaïa Plieger sprak over ‘knelpunten en oplossingen, en nieuwe technologie, voor due diligence processen in vastgoedmarkten’.

Bekijk hier haar presentatie.

Christian de Vries vertelde over het tackelen van betaalbaarheid en duurzaamheid door huurprijsregulering.

Bekijk hier zijn presentatie. Lees hier zijn complete scriptie.

David Thissen leverde origineel werk over de prijseffecten van energielabels.

Bekijk hier zijn presentatie.

Philip Gallas vertelde over zijn onderzoek voor zijn MSRE-afstudeerscriptie over het toekomstige Europese CO2-heffingssysteem voor de gebouwde omgeving.

Bekijk hier zijn presentatie. Lees hier zijn complete scriptie.

Joost Blankendaal vertelde over een eerlijke waardering voor CO2-opslag in bouwmaterialen als hout.

Bekijk hier zijn presentatie. Lees hier zijn complete scriptie.

Sam van Elburg sprak over hoe hogere de woningprijzen, hoe langer mensen in hun sociale huurwoning blijven.

Bekijk hier zijn presentatie. Lees hier zijn complete scriptie.

PhD-student Lynn Bouwknecht rapporteerde – namens Pascale Schellekens, die op reis is – over de effecten van betegelde tuinen op de prijzen van omliggende woningen.

Bekijk hier haar presentatie. Lees hier haar complete scriptie.

Sebastiaan Carpentier Alting vertelde over de transformatie van kantorenparken naar mixed-use-gebouwen.

Bekijk hier zijn presentatie.

Aan de bar van de ASRE werd nog lang gediscussieerd tijdens de borrel, zie hieronder nog een sfeerimpressie.

© Copyright 2022 Vereniging van Onroerend Goed Onderzoekers Nederland. Alle rechten voorbehouden. Privacy Verklaring