Tag Archief van: VOGON-symposium

Maarten Donkers van Rabobank opende het programma van het VOGON-symposium 2026 met een analyse van de vastgoedfinancieringsmarkt. Zijn centrale boodschap: de markt voor commercieel vastgoed draait allang niet meer om groei. Stabiliteit, risicobeheersing en strategische keuzes bepalen het speelveld.

Volgens Donkers wordt de vastgoedfinancieringsmarkt vaak verkeerd begrepen. “Het idee is vaak dat waarschuwingen van toezichthouders bedoeld zijn voor vastgoedinvesteerders. Maar centrale banken willen vooral financiële stabiliteit beschermen.” Daarmee verwees hij naar de voortdurende waarschuwingen van onder meer De Nederlandsche Bank en de Europese Centrale Bank over vastgoedrisico’s. Niet het vastgoed zelf staat daarbij centraal, maar de stabiliteit van het financiële systeem en het spaargeld dat daarin zit opgeslagen.

Om de markt goed te begrijpen, moet volgens Donkers eerst duidelijk zijn dat er niet één vastgoedmarkt bestaat, maar een compleet vastgoedsysteem. Hij onderscheidde verschillende deelmarkten: de ruimtemarkt, de assetmarkt en de ontwikkelmarkt. “Het gaat eigenlijk over een vastgoedsysteem waarin meerdere markten samenwerken”, stelde hij. Hij verwees naar het vierkwadrantenmodel van Wheaton en DiPascale. Vraag en aanbod van ruimte bepalen de huurprijzen, terwijl beleggers op de assetmarkt kijken naar kasstromen en risico-opslagen. Die verhouding bepaalt uiteindelijk de vastgoedwaarde.

Daarbij speelt ook de kapitaalmarkt een cruciale rol. Centrale banken, renteontwikkelingen en economische verwachtingen beïnvloeden direct hoe financiers naar vastgoed kijken. Donkers’ perspectief ligt nadrukkelijk bij de investeringsmarkt voor vastgoedfinanciering en niet bij de particuliere woningmarkt.

Wat is commercieel vastgoed?

Een belangrijk deel van zijn voordracht ging over de definitie van commercieel vastgoed: “We hebben commercieel vastgoed eigenlijk helemaal niet eenduidig gedefinieerd.” Vanuit bankperspectief maakt het veel uit of vastgoed voor eigen gebruik is, verhuurd wordt of onderdeel vormt van een bredere bedrijfsfinanciering. Vooral het zogenoemde “income producing real estate” staat centraal in discussies over vastgoedproblemen en financieringsrisico’s. Dat zijn beleggingen waarbij het vastgoed vooral bedoeld is om rendement te genereren via huurinkomsten.

Donkers schetste vervolgens de omvang van de Nederlandse vastgoedmarkt. Exacte cijfers zijn moeilijk te achterhalen, omdat er weinig structurele data beschikbaar zijn over vastgoedfinancieringen. Wel wees hij op het grote aandeel van woningen binnen de totale vastgoedvoorraad. Van de bijna negen miljoen gebouwen in Nederland zijn er ongeveer acht miljoen woningen. Daarnaast wees hij op de 800 miljard euro aan woninghypotheken en ruim 110 miljard euro aan geborgde leningen van woningcorporaties. Over de omvang van commercieel vastgoed bestaan vooral schattingen. “Er wordt eigenlijk heel weinig gepubliceerd over de vastgoedfinancieringsmarkt”, concludeerde hij.

Vastgoedmarkt: 80 tot 100 miljard

Op basis van cijfers van PropertyNL schatte Donkers de totale omvang van de Nederlandse markt voor commercieel vastgoedfinanciering op ongeveer 80 tot 100 miljard euro. Daarbij benadrukte hij dat het speelveld sterk verandert. Nieuwe financiers betreden de markt en de traditionele dominantie van banken neemt af. “Het speelveld is aan het versplinteren, maar er komen nieuwe partijen bij.” Naast banken spelen tegenwoordig ook debt funds, verzekeraars en buitenlandse investeerders een steeds grotere rol.

Volgens Donkers is het beeld dat banken vooral concurreren om marktaandeel te simplistisch. “Ons doel is niet om marktleider te zijn, maar om een gezonde portefeuille te hebben waarmee we heel lang klanten kunnen blijven financieren.” Banken zoeken continu naar een balans tussen rendement, risico en groeipotentieel. Vastgoedfinanciering is commercieel aantrekkelijk door de omvang van de markt en de relatief hoge rendementen, maar brengt tegelijk aanzienlijke risico’s met zich mee. Daarbij noemde hij onder meer het renterisico, herfinancieringsrisico en systeemrisico’s zoals tijdens de financiële crisis van 2008 zichtbaar werden.

ING internationaal, Rabo vooral Nederland

Donkers liet zien dat banken daarin verschillende strategieën hanteren. ING heeft internationaal een veel grotere vastgoedportefeuille dan Rabobank, terwijl Rabobank juist sterker gericht is op de Nederlandse markt. Volgens hem zit voor banken grofweg een natuurlijke grens aan commercieel vastgoedfinanciering van “tussen de 5 en 10 procent van de totale balans”. Daarboven worden de kapitaaleisen simpelweg te zwaar.

Sinds de financiële crisis zijn banken bovendien veel voorzichtiger geworden. Loan-to-values zijn fors gedaald. Waar voor de crisis financieringen van 90 tot 95 procent van de vastgoedwaarde mogelijk waren, moeten beleggers nu aanzienlijk meer eigen vermogen inbrengen. Ook verplichte aflossingen en strengere eisen aan projectontwikkeling zijn gemeengoed geworden. Daarnaast zijn banken selectiever geworden in regio’s en sectoren waarin ze actief willen zijn.

Nieuwe financiers nemen meer risico

Die strengere risicobenadering heeft ruimte gecreëerd voor alternatieve financiers. Volgens Donkers zijn banken de afgelopen vijftien jaar steeds meer “naar elkaar toe geklonterd” in een relatief veilig risicoprofiel. Nieuwe marktpartijen nemen juist vaker hogere risico’s in ruil voor hogere marges. Daardoor ontstaat een steeds diverser financieringslandschap.

Vooruitkijkend verwacht Donkers dat de rol van niet-bancaire financiers verder groeit, al blijven banken voorlopig de grootste spelers. Ook ziet hij meer ruimte ontstaan voor risicodeling tussen banken en institutionele beleggers, bijvoorbeeld via zogeheten Significant Risk Transfer-constructies (SRT’s). Daarbij verleggen banken delen van hun kredietrisico naar pensioenfondsen en verzekeraars. “Een deel van de groei gaat plaatsvinden door het delen van risico”, voorspelde hij.

Minder toezicht maakt systeem kwetsbaar

Tijdens de afsluitende discussie nuanceerde Donkers het idee dat de Nederlandse vastgoedmarkt te afhankelijk zou zijn van enkele grote banken. Volgens hem neemt die dominantie juist langzaam af. Tegelijkertijd waarschuwde hij voor nieuwe risico’s bij niet-bancaire financiers, waar minder toezicht geldt. “Hoe groter dat gedeelte is waar minder controle op zit, hoe kwetsbaarder het systeem kan worden.” Toch benadrukte hij dat de huidige markt fundamenteel gezonder is dan tijdens de financiële crisis. “Als ik kijk naar defaults en afboekingen, dan staat dat echt in geen enkele verhouding tot 2008.”

Doorstroming op de woningmarkt is essentieel, maar het blijkt in de praktijk weerbarstig – vooral onder ouderen. Dr. Cindy Biesenbeek, beleidseconoom bij De Nederlandsche Bank, onderzoekt het gedrag van huishoudens en hun voorkeuren op de woningmarkt. “Mijn onderzoek gaat over doorstroming op de woningmarkt. Ik kijk naar de bewegingen van mensen tussen sociale huur, middenhuur, dure huur en koopwoningen – en hoe dat in de tijd verandert.”

Biesenbeek was één van de sprekers tijdens het symposium van de Vereniging van Onroerend Goed Onderzoekers Nederland (VOGON) op 10 april 2025 in Rotterdam. In haar onderzoek neemt Biesenbeek ook specifiek ouderen onder de loep en dan vooral degenen die in een relatief grote woning wonen. “Het is belangrijk om naar deze groep te kijken, omdat hun woonvoorkeuren veranderen: bijvoorbeeld door hun behoefte aan meer zorg of een gelijkvloerse woning. Maar dan moet er wel ruimte zijn om daadwerkelijk te kunnen verhuizen.”

Die ruimte wordt nog onvoldoende benut, blijkt uit de voorlopige bevindingen. “Eén van de dingen die we zien, is dat ouderen niet zo vaak verhuizen. Dat wisten we al enigszins, maar dit onderzoek bevestigt dat beeld opnieuw.” Juist die beperkte verhuisgeneigdheid maakt het lastig om doorstroming in de woningmarkt op gang te krijgen.

Herverdeling bestaande woningen

Want terwijl er onvoldoende nieuwe woningen worden bijgebouwd, is herverdeling van bestaande woonruimte een alternatief waar veel hoop op wordt gevestigd. “Iedereen hoopt dat ouderen bereid zijn om kleiner te gaan wonen. Dat zou een keten van verhuisbewegingen op gang brengen, die uiteindelijk ook jonge gezinnen ten goede komt.”

Hoe ouder, hoe meer geworteld

Toch blijkt leeftijd een belangrijke factor in de bereidheid om te verhuizen. Hoe ouder mensen worden, hoe kleiner de kans dat ze nog een verhuizing overwegen. “Dat geldt niet alleen voor ouderen in grote woningen. Hoe langer je in een regio woont, hoe meer gehecht je raakt aan je woning – en dat maakt verhuizen moeilijker.”

VOGON-symposium 2025

Andere sprekers bij het symposium waren demograaf prof. dr. Ruben van Gaalen van het CBS en senior econoom dr. Carola de Groot van Rabobank. De VOGON Research Award voor het beste RERQ-artikel ging dit jaar naar portfoliomanager Dewi Anakram van Amvest.

De Nederlandse bevolking blijft gestaag groeien, maar wie goed naar de cijfers kijkt, ziet dat die groei niet uit geboortes komt. “De groei die we al tien, vijftien jaar zien, komt vooral door netto-immigratie. Er komen meer mensen naar Nederland dan er vertrekken”, zegt prof. dr. Ruben van Gaalen, bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en demograaf bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Tegelijkertijd daalt het geboortecijfer en stijgt het aantal sterfgevallen. “De natuurlijke aanwas krimpt, maar de internationale migratie blijft stijgen.”

Van Gaalen was één van de sprekers tijdens het symposium van de Vereniging van Onroerend Goed Onderzoekers Nederland (VOGON) op 10 april 2025 in Rotterdam. Die bevolkingsgroei heeft directe gevolgen voor de woningmarkt. Meer mensen betekent simpelweg meer huishoudens. En dat vraagt om meer woningen – maar niet zomaar woningen. “Het aantal alleenwonenden stijgt, vooral onder ouderen. De vergrijzing gaat gelijk op met het steeds vaker alleen wonen van ouderen.” Dat betekent een andere woningbehoefte dan in het verleden: kleinere woningen en aangepaste voorzieningen.

Volgens Van Gaalen is er bovendien sprake van dubbele vergrijzing. “Tot 2040 zal vooral het aandeel 65-plussers toenemen. En na 2040 stijgt het aantal 80-plussers. Die hebben meer zorg nodig dan de jonge ouderen.” Daarmee groeit niet alleen de woonopgave, maar ook de zorgopgave. Juist daar wringt de schoen, want het bestaande zorgsysteem piept en kraakt.

Minder informele zorg

In het verleden waren er tussen het zelfstandig wonen en het verpleeghuis diverse tussenvormen, zoals bejaardentehuizen en aanleunwoningen. Die zijn grotendeels verdwenen. En dat terwijl de behoefte aan ondersteuning toeneemt. “Informele zorg is steeds moeilijker te leveren. Er zijn minder potentiële mantelzorgers en die hebben vaak ook nog een baan. De formele zorg kampt met enorme personeelstekorten.”

Wie betaalt voor woonzorg?

De oplossing ligt volgens Van Gaalen in vernieuwende woonvormen waarin zorg en wonen worden gecombineerd. “Je moet woonzorgcombinaties bedenken waar ouderen veel baat bij kunnen hebben. Denk aan knarrenhofjes of kangoeroewoningen bij de kinderen.” Zulke oplossingen kunnen ook bijdragen aan doorstroming op de woningmarkt. Maar het vraagt wel om een eerlijke en doordachte aanpak: “Want wie betaalt die woonzorgcombinatie? Degene die zijn woning op eigen kracht heeft afgelost? En niet de persoon die zijn vermogen al aan de kinderen heeft geschonken?”

Dat zijn volgens Van Gaalen politieke keuzes waar je niet omheen kunt. “Om het zomaar te laten gebeuren is ook geen optie.”

VOGON-symposium 2025

Andere sprekers bij het symposium waren senior beleidseconoom dr. Cindy Biesenbeek van DNB en senior econoom Huizenmarkt dr. Carola de Groot van Rabobank. De VOGON Research Award voor het beste RERQ-artikel ging dit jaar naar portfoliomanager Dewi Anakram van Amvest.

© Copyright 2022 Vereniging van Onroerend Goed Onderzoekers Nederland. Alle rechten voorbehouden. Privacy Verklaring