Groen in het ziekenhuis: Irene Zitzmann onderzoekt de voorkeuren van patiënten

Verslag van de presentatie van Irene Zitzmann tijdens het VOGON Talent Seminar
Een binnentuin, een grote plant, uitzicht op natuur of een natuurposter: groen kan op verschillende manieren een plek krijgen in het ziekenhuis. Maar wat waarderen patiënten zelf het meest? Die vraag stond centraal in het onderzoek dat Irene Zitzmann presenteerde tijdens het VOGON Talent Seminar. Haar keuze-experiment onder leden van een patiëntenpanel liet een duidelijke voorkeur zien voor een binnentuin. Tegelijkertijd maakte haar onderzoek zichtbaar dat de meest gewaardeerde inrichting niet automatisch de best toepasbare oplossing is.
Van een helende omgeving naar concrete ontwerpkeuzes
Zitzmann plaatste haar onderzoek in de traditie van de ‘healing environment’: een omgeving waarin naast de lichamelijke ook de mentale beleving van patiënten aandacht krijgt. Zij verwees onder meer naar het klassieke onderzoek van Ulrich uit 1984 naar het uitzicht vanuit een ziekenhuiskamer.
Waar veel bestaand onderzoek volgens haar ingaat op de mogelijke effecten van natuur op patiënten, wilde zij juist verschillende groeninterventies naast elkaar zetten. Als patiënten kunnen kiezen uit meerdere vormen van groen, welke hebben dan hun voorkeur? En verandert die voorkeur met de verblijfsduur of de mate van mobiliteit?
Daar voegde zij een praktische vraag aan toe: welke interventies zijn toepasbaar als ook infectierisico’s worden meegewogen? Daarmee verbond zij de beleving van patiënten aan de voorwaarden waaronder een ziekenhuisomgeving moet functioneren.
Kiezen tussen twee fictieve ziekenhuizen
Voor haar onderzoek ontwikkelde Zitzmann een stated-choice-experiment. Deelnemers kregen beelden te zien van twee fictieve ziekenhuizen, met per alternatief een patiëntenkamer en een gang. Vervolgens kozen zij waar zij liever zouden verblijven, of gaven zij aan geen voorkeur te hebben. De kamers waren gebaseerd op de werkelijke patiëntenkamers van het Albert Schweitzer ziekenhuis in Dordrecht.
De afbeeldingen verschilden op meerdere onderdelen. Vanuit de kamer was er uitzicht op natuur of op een bakstenen muur. Wanden konden wit of groen zijn, een houtafwerking tonen of een natuurposter bevatten. Ook varieerde de aanwezigheid van planten, van geen beplanting tot een grote plant of verticaal groen. Voor de gang werden onder meer plantenbakken, verticaal groen en een binnentuin vergeleken.
Deelnemers kregen daarnaast een scenario toegewezen waarin zij bedgebonden of mobiel waren. Zitzmann koos hiervoor om geen gevoelige informatie over de persoonlijke medische situatie te hoeven uitvragen. De mobiliteit in de keuzeopdracht was dus hypothetisch.
Bijna vierduizend beantwoorde keuzesets
De gegevens werden verzameld via het patiëntenpanel van het Albert Schweitzer ziekenhuis. De enquête maakte deel uit van een breder onderzoek naar een mogelijke herinrichting. Door de vragen te presenteren als keuzes over de uitstraling van kamers en gangen, probeerde Zitzmann te voorkomen dat deelnemers vooraf te sterk op het onderwerp groen werden gericht.
In totaal voltooiden 670 deelnemers de enquête. Iedereen kreeg vier keuzesets voorgelegd; 328 deelnemers beantwoordden vrijwillig nog vier extra sets. Dat leverde 3.954 geldige beantwoorde keuzesets op.
Voor de analyse vergeleek Zitzmann twee statistische keuzemodellen. Het mixed-logitmodel paste beter bij de gegevens dan het eenvoudigere multinomiale-logitmodel. Het kan beter rekening houden met verschillen in voorkeuren tussen personen, wat bij smaak en inrichting relevant is.
De binnentuin bovenaan, gevolgd door groen in de kamer
De binnentuin in de gang was de meest gewaardeerde groeninterventie. Daarna volgden een grote plant in de patiëntenkamer, natuuruitzicht vanuit de kamer, verticaal groen in de kamer en een natuurposter.
Alle onderzochte groeninterventies werden positiever gewaardeerd dan het kale referentiescenario met witte muren, geen planten en uitzicht op baksteen. Dat resultaat gaat over de uitgesproken voorkeur van de deelnemers. Het experiment mat geen verschillen in herstel, pijn of verblijfsduur als gevolg van de inrichting.
Meer groen bleek bovendien niet automatisch beter. Zitzmann onderzocht ook combinaties van ingrepen in de patiëntenkamer. De combinatie van een grote plant met verticaal groen werd bijvoorbeeld minder aantrekkelijk gevonden dan op basis van de afzonderlijke voorkeuren zou kunnen worden verwacht. Een evenwichtige inrichting vraagt dus om meer dan het optellen van populaire elementen.
De verblijfsduur doet ertoe
De voorkeuren verschilden deels tussen groepen. Deelnemers van 26 tot 45 jaar hadden een relatief sterke voorkeur voor wandafwerking, terwijl de groep van 46 tot 65 jaar de binnentuin sterker waardeerde dan de oudste groep. Voor verschillen naar gender vond Zitzmann geen duidelijke aanwijzingen.
Ook de aard van het ziekenhuisverblijf speelde een rol. Bij een langdurig verblijf of een kort maar intensief verblijf werd een plant in de kamer relatief sterker gewaardeerd ten opzichte van de binnentuin. Zitzmann bracht dit in verband met de tijd die patiënten waarschijnlijk op hun kamer doorbrengen.
Voor de toegewezen mobiliteitstoestand kwam geen duidelijk effect naar voren. Een mogelijke verklaring is dat deelnemers zich niet volledig verplaatsten in het scenario waarin zij bedgebonden waren. Zitzmann bleef achter haar keuze staan om mobiliteit op deze manier te onderzoeken, vanwege de privacy van de deelnemers.
Infectiepreventie begrenst de mogelijkheden
Om de toepasbaarheid te beoordelen sprak Zitzmann met infectiespecialisten. In die gesprekken kwamen bezwaren naar voren tegen levende planten in patiëntenkamers, onder meer vanwege micro-organismen in de potgrond en de mogelijke overdracht tussen opeenvolgende gebruikers van een kamer.
Ook kunstplanten boden volgens de geïnterviewde specialisten geen vanzelfsprekende uitweg. Stofophoping en het consequent reinigen van alle bladeren brengen praktische en hygiënische vraagstukken met zich mee. De geïnterviewden zagen meer mogelijkheden voor groen in gangen, waar het contact doorgaans korter is, en voor natuurafbeeldingen en natuuruitzicht vanuit de kamer.
In de discussie werd daarom onder meer gesproken over het slim positioneren van patiëntenkamers ten opzichte van een tuin. Ook kwamen afgescheiden groenoplossingen aan bod die buiten de kamer kunnen worden onderhouden. De boodschap was dat groen, schoonmaak, onderhoud en infectiepreventie gezamenlijk moeten worden ontworpen.
Een richting voor ontwerp, met ruimte voor verschillen
Zitzmann benoemde verschillende beperkingen. Het panel bestond voor 98,8% uit deelnemers met de Nederlandse nationaliteit en bevatte relatief veel ouderen. Jongeren en deelnemers met andere nationaliteiten waren beperkt vertegenwoordigd. De uitkomsten kunnen daarom niet zonder meer worden vertaald naar alle patiëntengroepen.
Daarnaast maakten deelnemers keuzes op basis van gegenereerde afbeeldingen. Een werkelijke ruimte kan anders worden ervaren. Ook blijven individuele smaakverschillen bestaan: één kamertype zal niet voor iedereen even aantrekkelijk zijn.
Het onderzoek geeft daarmee richting aan de inrichting van zorgvastgoed, maar levert geen universeel ontwerp op. Een binnentuin, natuuruitzicht en een natuurposter vormen kansrijke aanknopingspunten om patiëntenvoorkeuren en praktische voorwaarden samen te brengen. De kosten zijn in het gepresenteerde onderzoek niet onderzocht en vragen om een afzonderlijke afweging.
Met haar presentatie liet Zitzmann zien hoe patiëntenvoorkeuren kunnen worden vertaald naar concrete ontwerpkeuzes. Het gaat daarbij om de vorm en plek van het groen, de mensen die de ruimte gebruiken en de manier waarop de omgeving veilig kan worden beheerd.

