Het Nederlandse winkellandschap is aan verandering onderhevig. Leegstand neemt sterk toe sinds de economische crisis van 2008. De hoogste percentages leegstand zijn in de traditionele krimpgebieden. Het faillissement van V&D zorgde voor ruim 350.000 m² winkelleegstand. Samen met de faillissementen van andere grote ketens zoals Miss Etam, Schoenenreus en Mitra veroorzaakte dit een verschuiving in het winkelaanbod. Ook bij winkels in de non-food sector zien we sinds 2012 veel faillissementen. Dit zorgt voor structureel meer leegstand en kan ook maatschappelijke problemen opleveren.

Diversiteit in de winkelstraat 
In dit artikel beschrijven we de relatie tussen diversiteit van het winkelaanbod en de winkelleegstand in het stedelijk hoofdwinkelgebied; meer diversiteit is gekoppeld aan minder leegstand. Dit effect is het hoogst wanneer dit wordt gemeten op diversiteit op brancheniveau. Het aantal horecavoorzieningen heeft geen invloed. In ons onderzoek richten we ons op de hoofdwinkelcentra in de 58 grootste steden van Nederland. In het gehanteerde model is o.a. gecontroleerd voor het effect van een historische binnenstad, filialiseringsgraad, inkomen en internetgevoeligheid van de branche.

Open systeem
Het Nederlandse winkellandschap kan gezien worden als een complex en dynamisch systeem. Volgens de open systeemtheorie (Gianotten 2012) wordt de ruimtelijke structuur bepaald door verschillende factoren. Deze factoren kunnen veranderingen in het winkelaanbod en de toename van leegstand verklaren. In dit onderzoek willen we de factoren analyseren die buiten de directe invloed van de vastgoedspelers en de wet- en regelgeving vallen, maar wel een (structurele) invloed kunnen hebben op de verminderende vraag naar winkelruimte.

Voor het volledige artikel downloadt u de PDF

Auteurs: Aleid Brouwer en Brian Tool

Transformatie van leegstaand kantorenvastgoed neemt een steeds groter deel van de marktdynamiek voor haar rekening. Dit artikel gaat in op de mogelijke effecten van een meervoudige bestemming op de waarde van kantorenvastgoed. Bovendien is de combinatie van vooroorlogs vastgoed en de rol van de bestemming voor de waarde van het vastgoed nog niet eerder kwantitatief onderzocht in zowel binnenlandse als buitenlandse wetenschappelijke studies. De belangrijkste conclusie is dat het verschil in bestemming (‘kantoor’ of ‘kantoor & wonen’) een statistisch significante invloed heeft op de transactieprijs. 

Theoretische aspecten van transformatie 
Als het huidige gebruik van een vastgoedobject niet meer voldoende economische waarde vertegenwoordigt, hebben beleggers in principe de mogelijkheid het pand te transformeren naar een andere bestemming. Als deze alternatieve aanwendbaarheid niet tot waardegroei zal leiden, rest slechts sloop van het pand. Waar de laatste mogelijkheid veelal tot waardeverlies leidt, zou transformatie tot een surplus kunnen leiden, mits er voldoende vraag is naar de nieuwe functie van dat object.

Het surplus van een alternatieve bestemming kan theoretisch worden geduid door de Bid Rent Curve, veelal geassocieerd met het werk van Alonso (1964). Alonso toont aan dat verschillende bestemmingen verschillende opbrengsten genereren en relateert dit aan de grondwaarde. Een wijziging van de bestemming biedt een andere potentiële opbrengst, afhankelijk van de vraag naar deze functie en de gecreëerde mate van schaarste (cf. Ricardo, 1821). Als deze opbrengst groter is dan de kosten van transformatie en winst en risicodekking van de ontwikkelaar, is er sprake van een positieve business case. Hoe groter het verschil in opbrengst-potentieel van verschillende functies, hoe groter de winst zal zijn van een transformatie.

Voor het volledige artikel downloadt u de PDF

auteurs: Jorn Damhuis, Wim van der Post en Douglas Konadu