Kleiner wonen, beter wonen: de woonvoorkeuren van vitale senioren

Een kleinere woning wordt aantrekkelijk als daar een betere woonomgeving tegenover staat. Dat was de kern van de presentatie van Maartje Kemps tijdens het VOGON Talent Seminar. Zij onderzocht hoe de woonvoorkeuren van vitale senioren kunnen helpen bij de ontwikkeling van compacte sociale huurwoningen. Haar boodschap: kijk verder dan het aantal vierkante meters en geef ook gedeelde voorzieningen, de buurt en het gemeenschapsleven een volwaardige plaats in het ontwerp.
Een passende woning kan doorstroming op gang brengen
Kemps plaatste haar onderzoek tegen de achtergrond van een woningmarkt met tekorten, betaalbaarheidsproblemen en beperkte bouwgrond. Tegelijkertijd vergrijst Nederland dubbel: zowel de groep 65-plussers als de groep 80-plussers groeit. Veel ouderen wonen in een huis dat na het vertrek van kinderen of het overlijden van een partner ruim is geworden. Toch is verhuizen lang niet altijd aantrekkelijk. Een lage huur of een grotendeels afbetaalde hypotheek maakt blijven financieel gunstig, terwijl geschikte alternatieven ontbreken.
Volgens Kemps heeft die situatie gevolgen voor de hele woningmarkt. Wanneer een senior naar een passende woning verhuist, kan een verhuisketen ontstaan die ook gezinnen en starters verder helpt. Blijft die beweging uit, dan neemt de druk op de beschikbare voorraad toe. Daarnaast vraagt langer zelfstandig thuis wonen om een woonomgeving die ouderen ondersteunt wanneer hun zorgbehoefte groeit.
Compacte woningen in collectieve woonvormen kunnen volgens haar aan beide opgaven bijdragen. Kleinere woningen bieden mogelijkheden voor lagere totale woonlasten, minder energieverbruik en meer woningen op een perceel. Gedeelde binnen- en buitenruimtes kunnen ontmoeting en onderlinge hulp bevorderen. Zo ontstaat een alternatief voor senioren die zelfstandig willen blijven wonen en tegelijk behoefte hebben aan contact en nabijheid.
Wensen naast ervaringen gelegd
Kemps richtte zich op vitale senioren van 55 jaar en ouder: mensen met een relatief lage zorgvraag die nog zelf kunnen kiezen hoe ze in de toekomst willen wonen. Zij onderzocht vier samenhangende onderdelen: de privéwoning, gemeenschappelijke ruimtes, de buurt en de sociale omgeving. Een gedeelde logeerkamer kan bijvoorbeeld ruimte in de eigen woning besparen, terwijl voorzieningen in de buurt niet ook in het complex hoeven te worden aangeboden.
Voor haar onderzoek verspreidde ze een vragenlijst onder zevenhonderd belangstellenden voor een Knarrenhof-project in Delft. Dat leverde 354 reacties op. Daarnaast sprak ze met negen senioren uit een collectieve woonvorm in de sociale huursector in Utrecht, waar de appartementen ongeveer 40 tot 60 vierkante meter groot zijn. De vergelijking tussen hun ervaringen en de wensen uit de enquête besprak ze vervolgens met zeven experts op het gebied van seniorenverhuizingen, woningontwikkeling en investeringen.
Die opzet maakte een belangrijk verschil zichtbaar: wat mensen vooraf verwachten van compact en collectief wonen, komt niet altijd overeen met wat bewoners in de praktijk waarderen. De enquête betrof bovendien senioren die al belangstelling hadden voor een nieuw woonproject; de uitkomsten geven daarmee vooral inzicht in deze geïnteresseerde groep.
Compact wonen vraagt om een zorgvuldig ontwerp
Uit de resultaten bleek dat een deel van de senioren bereid is kleiner te wonen. Vooral onder respondenten uit de sociale huursector was belangstelling voor een woning van maximaal zeventig vierkante meter. Ook onder particuliere huurders en eigenaarbewoners bestond die voorkeur.
Bewoners van het onderzochte Utrechtse project waren op verschillende punten positiever over hun compacte woning dan de verwachtingen uit de enquête deden vermoeden. Waar toekomstige bewoners zich bijvoorbeeld zorgen maakten over ruimte voor hobby’s, waardeerden de huidige bewoners juist dat ze hun hobby’s samen konden uitoefenen. De gedeelde ruimte bood hun ook een aanleiding voor sociaal contact.
Dat neemt niet weg dat de privéwoning aan duidelijke voorwaarden moet voldoen. Een eigen buitenruimte en voldoende opbergruimte kwamen naar voren als belangrijke aandachtspunten. Juist deze voorzieningen werden in het onderzochte woonproject gemist. Over het aantal slaapkamers liepen wensen en ervaringen uiteen. Respondenten wensten veelal twee slaapkamers, terwijl bewoners met één slaapkamer daar in de praktijk tevreden over konden zijn. Experts wezen op de waarde van twee slaapkamers voor de toekomstige verhuurbaarheid en de mogelijkheid om ook andere doelgroepen te huisvesten.
Delen biedt ruimte, maar niet alles hoeft gezamenlijk
Vooral wasruimtes, bergingen voor seizoensspullen en logeerkamers bieden volgens het onderzoek mogelijkheden om voorzieningen te delen. Bijna de helft van de respondenten stond open voor een gedeelde wasruimte; meer dan de helft wilde een logeerruimte delen. Daartegenover bleven de eigen badkamer, keuken en woonkamer voor vrijwel alle respondenten essentieel. Collectief wonen betekent dus dat bewoners bepaalde voorzieningen kunnen delen, met behoud van een zelfstandige privéwoning.
Ook een gezamenlijke tuin of terras kan veel waarde toevoegen. Bewoners beschreven zo’n plek als een laagdrempelige mogelijkheid om koffie te drinken en elkaar te ontmoeten. Het gebruik hangt wel af van de bewonerssamenstelling. In het Utrechtse project ervoeren senioren bijvoorbeeld hinder van spelende kinderen in de binnentuin. Dat beperkte hun gebruik van een ruimte die ze op zichzelf juist waardeerden.
Voor de buurt gold een voorkeur voor voorzieningen in de nabijheid. Een buurtwinkel, huisarts en afhaalpunt voor boodschappen of pakketjes werden veel genoemd. Tegelijkertijd waren veel respondenten bereid daarvoor een stukje te lopen. Niet iedere voorziening hoeft dus in het gebouw zelf te zitten, zolang de omgeving goed aansluit op het dagelijks leven van de bewoners.
Een gemeenschap heeft begeleiding nodig
Een terugkerende bevinding was het belang van een communitymanager. Deze kan bewoners met elkaar in contact brengen, activiteiten helpen organiseren en het gebruik van gemeenschappelijke ruimtes ondersteunen. Zowel de bewonerservaringen als de gesprekken met experts onderstreepten de waarde van die rol, zeker bij de start van een project.
De enquête liet bovendien zien dat oudere respondenten minder bereid waren bij te dragen aan het beheer van gedeelde ruimtes en het organiseren van activiteiten. Een duurzaam gemeenschapsleven kan daarom niet vanzelfsprekend volledig op de inzet van bewoners rusten. Naast begeleiding blijft een evenwichtige bewonerssamenstelling van belang.
Opvallend was dat sommige bewoners vooraf weinig behoefte hadden aan een woongemeenschap, maar daar na hun verhuizing positief op terugkeken. Voor hen was de woning aanvankelijk de belangrijkste reden om te verhuizen. Na ongeveer anderhalf jaar waardeerden ze juist ook het sociale leven dat bij het woonconcept hoorde. Volgens Kemps laat dit zien dat terughoudendheid vooraf niet betekent dat collectief wonen later geen meerwaarde heeft.
Van minder ruimte naar beter wonen
Kemps vroeg ook aandacht voor de praktische voorwaarden waaronder deze projecten tot stand komen. Experts wezen op spanning tussen het stimuleren van ontmoetingsruimtes en de financiering van de begeleiding die nodig is om die ruimtes goed te gebruiken. Zij noemde daarbij de stimuleringsregeling voor ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting en de voorziene modernisering van de servicekostenregels. Wanneer de kosten van een communitymanager onvoldoende kunnen worden gedekt, komt volgens haar ook de haalbaarheid van het collectieve concept onder druk te staan.
In de vragenronde kwam de aanbodkant aan bod. Vanuit de zaal werd gevraagd waarom er niet meer compacte woningen worden ontwikkeld als die voor beleggers financieel aantrekkelijk kunnen zijn. Kemps wees op het negatieve beeld dat kleine woningen soms oproepen: weinig ruimte voor veel geld. Meer bewustwording van de mogelijke woonkwaliteit kan volgens haar helpen om die terughoudendheid te verminderen.
Daarmee kwam ze terug bij de manier waarop over verhuizen wordt gesproken. De term downsizing legt de nadruk op inleveren: minder ruimte en minder kamers. Kemps pleitte voor rightsizing, met de nadruk op een woning die beter past bij de levensfase en de wensen van de bewoner. Zoals zij haar presentatie afsloot: ‘Rightsizing betekent niet genoegen nemen met minder, maar kunnen kiezen voor iets beters.’

